Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg.
DE ELLENDIGEN
Naar het Fransch
Van
VICTOR HUGO.
Opnieuw bewerkt.
Derde deel.
Arnhem en Nijmegen,
Gebrs. E. & M. Cohen.
BOEK I.
PARIJS IN ZIJN ATOMEN BESTUDEERD.
EERSTE HOOFDSTUK.
PARVULUS.
Parijs heeft een kind, en het bosch een vogel; de vogel heet musch; het kind heet gamin (straatjongen).
Vereenig deze twee denkbeelden, die het eene een vuurhaard, het andere het morgenrood bevatten, breng deze twee vonken in aanraking; Parijs, de kindsheid, en er ontstaat een klein wezen. Homuncio zou Plautus zeggen.
Dit kleine wezen is vroolijk. Hij eet niet alle dagen, maar gaat zoo 't hem goeddunkt alle avonden naar den schouwburg. Hij heeft geen hemd aan 't lijf, geen schoenen aan de voeten, geen dak boven het hoofd, hij is als de vliegen des hemels, die van dat alles niets hebben. Hij is tusschen de zeven en dertien jaar oud, leeft in troepen, zwerft langs de straat, woont onder den blooten hemel, draagt een oude broek van zijn vader, die hem op de hielen hangt, een ouden hoed van een anderen vader, die hem over de ooren zit, een draagband van gele zelfkant; hij loopt, ziet, vraagt, verslijt den tijd, rookt, vloekt als een heiden, bezoekt de kroegen, kent de dieven, spreekt gemeenzaam met publieke vrouwen, kent de dieventaal, zingt onzedelijke liedjes, maar heeft niets kwaads in 't hart. Want zijn ziel bezit een parel, de onschuld; en paarlen worden niet opgelost in slijk. Zoolang de mensch kind is, wil God dat hij onschuldig zij.
Zoo men aan de groote stad vroeg: wie is dat? zou zij antwoorden: 't Is mijn kind.
TWEEDE HOOFDSTUK.
EENIGE ZIJNER BIJZONDERE KENTEEKENEN.
De straatjongen van Parijs is de dwerg der reuzin.
Laat ons niet overdrijven, deze straatengel draagt soms een hemd, maar dan is het zijn eenig; ook draagt hij soms schoenen, maar dan zijn zij zonder zolen; soms heeft hij een tehuiskomen, en 't is hem lief, want hij vindt er zijn moeder; maar aan de straat geeft hij de voorkeur, wijl hij er de vrijheid vindt. Hij heeft eigenaardige spelen, zijn eigenaardige guitenstreken, waarvan de haat tegen den vreedzamen burger den grond legt; hij heeft eigenaardige leenspreuken: dood zijn, noemt hij "paardebloemen bij den wortel opeten." Zijn beroepen zijn: huurrijtuigen halen, de voettreden der koetsen nederlaten, bij plasregens planken van den eenen naar den anderen kant der straat leggen, 't geen hij noemt ponts des arts (kunstbruggen) maken, de door de regeering ten gunste van het Fransche volk uitgesproken redevoeringen uitventen, en tusschen de straatsteenen krabben; hij heeft zijn eigen munt, bestaande uit allerlei stukjes koper die men op de straat kan vinden. Deze zonderlinge munt, die men vodderijen kan noemen, heeft een onveranderlijken, goed geregelden koers onder deze soort van kleine heidens. Hij heeft nog zijn eigen dierenwereld, welke hij nauwkeurig in haar schuilhoeken gadeslaat, het onze lieven-heers-beestje, de boomluis met den doodskop, "de duivel," een zwart insect, dat met zijn tweehoornigen staart dreigt. Hij heeft zijn fabelachtig monster met schubben onder den buik, niet de hagedis, met puisten op den rug--niet de pad--een monster, dat in oude kalkovens en droge waterputten huist, dat zwart, harig, kleverig is, nu langzaam dan snel voortkruipt, dat geen geluid geeft, maar slechts kijkt en zoo vreeselijk is, dat nooit iemand het gezien heeft; hij noemt dit monster "de doove." Dooven onder de steenen te zoeken is voor hem een vermaak, dat tot de vreeselijke vermaken behoort. 't Is ook een vermaak voor hem, plotseling een steen op te lichten om duizendbeenen te zien. Ieder gedeelte van Parijs is wegens een of ander belangrijk beest bekend, dat men er vinden kan. Er zijn oorwormen op de werven der Ursulinen, duizendpooten bij het Pantheon en bloedzuigers in de slooten van het Champ-de-Mars.
De straatjongen heeft overigens spreekwijzen als Talleyrand. Hij is niet minder hondsch, maar eerlijker. Hij bezit een vroolijkheid, die hem soms overvalt zonder dat men weet waarom; hij ergert den winkelier door zijn dol gelach. Zijn toonladder daalt gemakkelijk van het treurspel tot de klucht af.
Een lijkstoet gaat voorbij. Onder de volgers van het lijk bevindt zich een geneesheer.--Hei! roept een straatjongen sinds wanneer brengen de geneesheeren zelven hun werk thuis?
Een andere jongen is in 't gedrang. Een deftig man met een bril en horlogeketting keert zich verstoord om en roept: Deugniet, gij hebt den arm mijner vrouw genomen.--Ik, mijnheer? Voel maar in mijn zakken.
DERDE HOOFDSTUK.
HIJ IS BEHAGELIJK.
Des avonds gaat de homuncio voor eenige sous, welke hij zich steeds weet te verschaffen, naar een schouwburg. Zoodra hij den tooverachtigen drempel heeft overschreden, is hij herschapen: hij was straatjongen, nu wordt hij werkgast. De schouwburgen zijn een soort van schepen met het ruim boven. In dit ruim pakken de werkgasten zich op elkander. De werkgast is in verhouding tot den straatjongen, wat de vlinder tot de pop is; hij is een even fladderend en zwevend wezen. 't Is genoeg, dat hij er is met zijn glans van geluk, zijn machtige geestdrift en vroolijkheid, zijn handgeklap dat op wiekgeklap gelijkt, om dit enge, bedompte, donkere, vuile, ongezonde, leelijke, afschuwelijke ruim den naam van "paradijs" (engelenbak) te geven.
Geef iemand het onnoodige en ontneem hem het noodzakelijke, en ge hebt den straatjongen.
De straatjongen is niet zonder eenig letterkundig gevoel. Wij zeggen het met leedwezen, zijn smaak is niet voor het klassieke. Van natuur is hij weinig Akademisch. Een voorbeeld daarvan is, dat de beroemdheid van mademoiselle Mars bij dit kleine stormachtige kinderpubliek stof tot spotternij gaf. De straatjongen noemde haar mademoiselle Muche.
Hij raast, schimpt, stoeit, vecht, heeft vodderijen als een zuigeling en lompen als een wijsgeer, vischt in de goot, jaagt in den modderpoel, trekt vroolijkheid uit vuilnis, vervult de pleinen met zijn geschreeuw, lacht en bijt, fluit en zingt, applaudisseert en jouwt uit, paart aan het halleluja een straatlied, zingt alles, zelfs de profundis, vindt zonder te zoeken, weet wat hem onbekend is, is Spartaan zelfs tot stelen, dwaas tot wijsheid, lyrisch tot het onreine toe en zou op den Olymp nederhurken, wentelt zich op een mesthoop en komt er uit met sterren overdekt. De straatjongen van Parijs is een kleine Rabelais! Met zijn broek is hij niet tevreden, zoo er geen horlogezak in is.
Hij verwondert zich zelden, schrikt evenmin, bespot de bijgeloovigheden, drukt de opgeblazen overdrijvingen plat, lacht om de verborgenheden, steekt de tong voor de spoken uit, ontneemt de stelten haar poëzie en brengt in het gezwollen heldendicht caricaturen, niet omdat hij prozaïsch is, verre van daar; maar hij brengt in de plaats van het plechtige visioen een grappig geestenspel. Zoo Adamastor hem verscheen zou de straatjongen: "Ha! Ziedaar blauwbaard!" roepen.
VIERDE HOOFDSTUK.
HIJ KAN NUTTIG ZIJN.
Parijs begint met den gaper en eindigt met den straatjongen, twee wezens die een andere stad niet kan opleveren; het lijdelijk wezen dat zich tevreden stelt met te aanschouwen, en de onuitputtelijke zelfhandeling; Prudhomme en Fouillou. Alleen Parijs heeft dit in haar natuurlijke historie. De geheele monarchie ligt in den gaper; de geheele anarchie in den straatjongen.
Dit bleeke kind der Parijsche voorsteden leeft en ontwikkelt zich, ontstaat en lost zich op in lijden, als peinzend getuige der maatschappelijke wezenlijkheid en menschelijke zaken. Hij waant zich onverschillig, hij is 't niet. Hij aanschouwt, tot lachen gereed; maar ook tot iets anders. Wie ge ook zijn moogt, die u Vooroordeel, Misbruik, Eerloosheid, Verdrukking, Ongerechtigheid, Despotisme, Onrechtvaardigheid, Fanatisme, Dwingelandij heet--hoed u voor den straatjongen.
Deze kleine zal groot worden.
Van welk leem is hij gevormd? Van het eerste het beste slijk. Een handvol modder, een adem, en Adam ontstaat. Er behoeft slechts een God voorbij te gaan; en een God is altijd langs een straatjongen gegaan. De fortuin bewerkt dit kleine wezen. Onder het woord fortuin verstaan wij min of meer het toeval. Zal deze van grove, gemeene aarde gekneede dwerg dom, ongeleerd, ruw, eenmaal een Ioniër of een Beotiër zijn? Heb geduld, currit rota, (het rad wentelt) de geest van Parijs, deze demon, die de kinderen des toevals en de mannen der wereldgeschiedenis schept, maakt, in tegenstelling van den latijnschen pottenbakker, van de kruik een amphora.
VIJFDE HOOFDSTUK.
ZIJN GRENZEN.
De straatjongen bemint de stad, maar ook de eenzaamheid, hij heeft iets van den wijze in zich. Urbis amator, gelijk Fuscus; ruris amator, gelijk Flaccus.
Peinzend omdolen, dat is flaneeren, is voor den wijsgeer een goed tijdverdrijf; vooral op die tamelijk leelijke, zonderlinge en uit twee naturen bestaande bastaardvelden, welke zekere groote steden, ook Parijs, omgeven. De omstreken eener stad hebben iets tweeslachtigs. Einde van het geboomte, begin der daken, einde van het gras, begin der straat, einde der akkers, begin der winkels, einde der wagensporen, begin der hartstochten, einde van het goddelijk gemurmel, begin van het menschelijk gewoel; dit wekt een buitengewone belangstelling.
Dit is de oorzaak dier schijnbaar doellooze wandelingen van den denker in deze weinig bekoorlijke plaatsen, welke door den voorbijganger met den naam van "treurig" worden bestempeld.
De schrijver dezer regels zwierf dikwerf buiten de barrières van Parijs, en dit is voor hem een bron van diepe herinneringen. Dat korte gras, deze steenachtige paden, dat krijt, dit mergel, het gips, die ruwe eenvormigheid der braakliggende velden, de vroege groenten der warmoeziers, welke men eensklaps in een diepte ziet, dat mengsel van woestheid en boerschheid, die groote woeste vlakten, waar de tamboers van het garnizoen een gerucht makende school houden en eenigszins een veldslag stamelen, deze spelonken des daags en moordenaarsholen des nachts, de verlamde, draaiende windmolen, de windassen der steengroeven, de kroegen aan den hoek der kerkhoven, de geheimzinnige bekoorlijkheid der hooge donkere muren, welke groote vlakten, vol zon en vlinders, doorsnijden--dit alles trok hem aan.
Schier niemand kent deze zonderlinge plaatsen. De Campagne van Rome is een idée; het rechtsgebied van Parijs is een andere idée; wie, in 't geen ons een verschiet aanbiedt, niets dan velden, huizen of boomen ziet, blijft aan de oppervlakte hangen. Al wat de dingen voorstellen zijn gedachten Gods. De plaats, waar een vlakte zich met een stad vereenigt, draagt immer het stempel eener treffende zwaarmoedigheid. De natuur en het menschelijke spreken er gelijktijdig, en de plaatselijke eigenaardigheden komen er te voorschijn.
Wie als wij in deze eenzame streken, welke onze voorsteden begrenzen, omdoolde, heeft niet hier en daar, op de eenzaamste plekken, onverhoeds, achter een schrale heg of in den hoek van een treurigen muur, levendige groepen slijkerige, met stof bedekte, havelooze spelende kinderen gezien, die zich met koornbloempjes tooiden?! Al die in het wilde zwervende kinderen zijn van arme gezinnen. De buiten-boulevard is eigenlijk hun levensoord; het rechtsgebied der stad behoort hun. Daarheen ontloopen zij immer de school. Zij zingen er in eenvoud hun gemeene liedjes. Zij zijn dáár, of, liever gezegd, zij leven dáár ver van aller blikken, in de zachte helderheid van de maand Mei of Juni, geknield om een kuiltje in de aarde, knikkerende, dobbelende, bandeloos, weggevlogen, vrij en gelukkig; maar zoodra zij iemand zien, herinneren zij zich, dat zij een bedrijf hebben, dat zij den kost moeten verdienen en bieden hem een oude wollen kous met goudhanen of een ruiker seringen te koop aan. De ontmoeting van deze zonderlinge kinderen is tevens een der aangenaamste en lastigste bekoorlijkheden der omstreken van Parijs.
Soms zijn er in deze troepen jongens, kleine meisjes--zijn 't hun zusjes?--schier jongedochters, mager, koortsig, door de zon bruin gebrand, met sproeten besprikkeld, opgeschikt met roggearen en klaprozen in 't haar, vroolijk en gelaten, met bloote voeten. Men ziet er die in het koren kersen eten. Des avonds hoort men ze lachen. Deze groepen, warm door de middagzon beschenen of in den schemeravond gezien, houden den denker lang bezig, en deze verschijningen mengen zich in zijn mijmeringen.
Voor deze kinderen is Parijs het middelpunt, het rechtsgebied, de omtrek van geheel de aarde. Nooit wagen zij zich verder. Zij kunnen evenmin uit den Parijschen dampkring komen als de visschen uit het water. Voor hen is twee uren buiten de barrière niets meer. Met de voorsteden eindigt voor hen de wereld.
ZESDE HOOFDSTUK.
EEN WEINIG GESCHIEDENIS.
Op het tijdstip--'t welk nog tot onzen tijd behoort--dat de gebeurtenis, in dit boek verhaald, plaats had, was er niet, zooals thans, een stadssergeant aan den hoek van iedere straat, maar vloeide het in Parijs over van zwervende kinderen. De statistiek geeft een middelbaar cijfer van tweehonderd zestig kinderen zonder woonplaats, die toen jaarlijks door de politieronden op den openbaren weg, in allerlei schuilplaatsen en onder de bogen der bruggen gevonden werden. Een dezer nesten, dat berucht is gebleven, heeft "de zwaluwen der brug van Arcola" voortgebracht. 't Is overigens het rampzaligste der maatschappelijke verschijnselen, dat al de misdaden van den man met het zwerven van het kind een aanvang nemen.
Wij zonderen echter Parijs uit. In een zekere mate, en in weerwil van 't geen wij vermelden, is deze uitzondering gegrond. Terwijl in iedere andere groote stad een zwervend kind, als 't man is geworden, verloren gaat, terwijl schier alom het aan zich zelf overgelaten kind eenigerwijs bestemd en gedoemd is tot een soort van noodlottige dompeling in misdaden, welke hem van eerlijkheid en geweten berooft, is de straatjongen van Parijs,--wij moeten hierop drukken--hoe gehavend en geschonden hij uiterlijk zij, inwendig schier ongedeerd. 't Is heerlijk er op te wijzen en het blinkt uit in de eerlijkheid onzer volksomwentelingen; de idée, welke in de Parijsche lucht is, veroorzaakt een soort van bederfwerend zout als dat van het water des oceaans. In Parijs te ademen, is het behoud der ziel.
Wat wij hier zeggen vermindert de hartsbeklemming, die men telkens gevoelt als men een dier kinderen ontmoet, welke men als gebroken familiebanden ziet fladderen. Bij de tegenwoordige nog zoo onvolmaakte beschaving is het niet ongewoon, dat gezinnen vervallen, die niet eens weten wat van hun kinderen is geworden en ze op de openbare straat laten rondzwerven. Dit is de oorzaak van zoo veler donker lot. Men noemt dit, want deze treurige zaak is een spreekwijze geworden: "Op de straat geworpen te zijn."
't Zij in het voorbijgaande gezegd, dat door de oude monarchie deze verlatenheid der kinderen niet werd tegengegaan. Een weinig landlooperij onder de lagere klassen kwam de hoogere kringen niet ongelegen en strekte ten dienste der machtigen. De afkeer van het onderwijs der kinderen van het volk was een leerstuk. Waartoe "halve verlichting?" Dat was het orderwoord. Het zwervende kind is het gevolg van het onwetende kind.
Ook had de monarchie soms kinderen noodig en dan schuimde zij de straat.
Onder Lodewijk XIV, om niet verder terug te gaan, wilde de koning met recht een vloot scheppen. Een goed denkbeeld. Maar laat ons het middel zien. Er bestaat geen vloot, zoo men bij het zeilschip, een speeltuig van den wind, niet het vaartuig heeft, om het des vereischt te boegseeren, opdat het òf door riemen, òf door stoom gaat waarheen men wil; destijds waren de galeien voor de zeevaart, wat thans de stoomschepen zijn. Er waren alzoo galeien noodig, maar de galei wordt slechts door roeiers in beweging gebracht; men had dus roeiers noodig, dat is, galeislaven. Colbert liet door de intendanten der provinciën en door de parlementen zooveel mogelijk tuchtelingen maken. De rechterlijke macht ging hierbij zeer voorkomend te werk. Zoo iemand den hoed op het hoofd hield bij het voorbijgaan eener processie was hij een hugenoot en men zond hem naar de galeien. Zoo men een knaap op de straat vond, die vijftien jaar oud was en niet wist waar hij woonde, zond men hem naar de galeien. Een groote regeering; een groote eeuw.
Onder Lodewijk XV verdwenen de kinderen te Parijs; de politie ontvoerde ze, men weet niet voor welk geheimzinnig doel. Men fluisterde met ontzetting van afschuwelijke vermoedens omtrent de purperbaden des konings. Barbier spreekt zeer naïef van deze dingen. Het gebeurde vaak dat de agenten, die kinderen moesten hebben, dezulken namen die vaders hadden. De wanhopige vaders liepen de agenten te lijf. In zoodanig geval kwam het parlement tusschenbeide en liet ophangen--wie? de politieagenten? Neen, de vaders.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
DE STRAATJONGEN VINDT ZIJN PLAATS IN DE KLASSIFICATIE DER INDIËN.
De Parijsche straatjongens vormen schier een kaste. Men zou kunnen zeggen: dat niet ieder die wil er toe behooren kan.
Dat woord gamin werd voor het eerst gedrukt en kwam uit de volks- in de boekentaal in 1834. 't Was in een werkje, getiteld Claude Gueux dat dit woord gevonden werd. De ergernis was groot, maar het woord bleef in gebruik.
De elementen, die den straatjongens onder elkander aanzien geven, zijn zeer verschillend. Wij hebben er een gekend, die zeer geacht en bewonderd werd, wijl hij een man van den top van den toren van Notre Dame had zien vallen; een ander, wijl het hem gelukt was op de achterplaats te komen waar voorloopig de beelden voor den dom der invaliden waren geplaatst, en ze lood had weten te ontnemen; een derde, wijl hij een diligence had zien omstorten; nog een, wijl hij een soldaat "kende" dien een burger bijna het oog had uitgeslagen.
Dit verklaart dezen uitroep van een Parijschen straatjongen, iets diepzinnigs waarover men lacht zonder het te begrijpen: "Mijn hemel! wat ben ik ongelukkig; ik heb nog nooit iemand uit de vijfde verdieping zien vallen."
Zekerlijk is het antwoord fraai van een boer, wien gevraagd werd: "Vriend, uw vrouw is aan haar ziekte overleden; waarom hebt ge niet om den dokter gezonden?"--"Wat zal ik u zeggen, mijnheer, wij arme lieden sterven vanzelf." Ligt nu in deze woorden de geheele lijdelijkheid van den boer, dan zekerlijk ligt de geheele, bandelooze vrijheid van denken van den voorstadsknaap in die andere. Een ter dood veroordeelde luistert op de kar naar zijn biechtvader. De Parijsche jongen roept: Hij praat met den paap, o de fielt!
Dat de straatjongen in godsdienstzaken tamelijk oneerbiedig is, daarop laat hij zich niet weinig voorstaan. 't Geeft aanzien als hij vrijgeest is.
Hij acht het een plicht de doodsvoltrekkingen bij te wonen. Men wijst elkander de guillotine lachend en geeft ze allerlei namen: De laatste lepel soep, de laatste hap enz. enz. Om niets van de zaak te missen klimt men op muren, op balkons, op boomen; hangt zich aan de hekken, klemt men zich aan schoorsteenen. De straatjongen is evenzeer tot leidekker als tot zeeman geboren. Voor een dak is hij evenmin bevreesd als voor een mast. Geen feest is voor hem bij een terechtstelling op het Grève-plein te vergelijken. Samson en de abbé Montès, deze namen zijn populair. Men beschimpt den veroordeelde om hem te bemoedigen. Soms bewondert men hem. Toen Lacenaire, als straatjongen, den afschuwelijken Dautun moedig zag sterven, zeide hij deze woorden, waarin een toekomst ligt besloten: "Ik benijdde hem." De straatjongen kent niet Voltaire, maar wel Papavoine. In hetzelfde verhaal verwart hij "staatkundigen" met moordenaars. Hij weet hoe allen het laatst gekleed waren, deze had een hoed, gene een pet op; de een was kaal en blootshoofd, een ander was blozend en gezond; weder een andere twistte met zijn moeder. "Verwijt elkander toch niets!" riep een straatjongen hun toe. Een straatjongen, te klein om in het gedrang een veroordeelde te kunnen zien voorbijgaan, klimt op een lantaarnpaal. Een gendarm ziet hem en fronst de wenkbrauwen.--"Laat mij gerust klimmen, mijnheer de gendarm," zegt de jongen, "ik zal niet vallen."--"'t Is mij onverschillig of ge valt," was het antwoord.
In de straatjongens-wereld wordt een gewichtig ongeluk in hooge waarde gehouden. Men heeft het toppunt bereikt, zoo men zich "tot op het been" gesneden heeft.
De vuist is een krachtig element van eerbied. Iets wat de straatjongen het liefst zegt is: "Ik verzeker u, dat ik sterk ben." Links te zijn is benijdenswaard. Scheel te zien wordt geacht.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
EEN VRIENDELIJK WOORD VAN DEN LAATSTEN KONING.
Des zomers wordt de straatjongen kikvorsch; des avonds, als het donker wordt, werpt hij zich bij de bruggen van Austerlitz en Jena, van de koolschepen en waschvrouwen-schuiten, met het hoofd vooruit, in de Seine, in strijd met alle mogelijke voorschriften der zedelijkheid en politie. Maar de stadssergeanten waken, en het komt tot een zeer dramatischen toestand, die eens tot een gedenkwaardigen broederlijken kreet aanleiding gaf; deze kreet, in 1830 beroemd, is een strategische waarschuwing die de eene aan den anderen straatjongen geeft; die kreet wordt bijna als een vers van Homerus gescandeerd, met even onuitsprekelijke melodie als de eleusische melopée der Panatheners, en men vindt er het oude Evohé in: "Hei Titi! O hee!" zoo begint hij en het overige beteekent dat er dienders zijn; dat er slagen kunnen vallen en men zich met zijn kleederen uit de voeten moet maken.
Deze mug--zoo noemt hij zich--kan lezen; soms kan hij ook schrijven, altijd kan hij kladden. Eensklaps verschaft hij zich, men weet niet door welk wederkeerig onderwijs, al de talenten, die de openbare zaak nuttig kunnen zijn: van 1815 tot 1830, bootste hij het geschreeuw van den kalkoen na; van 1830 tot 1848 krabbelde hij een peer op de muren. Op een zomeravond zag Lodewijk Filips, te voet huiswaarts keerende, een zeer kleinen jongen, die, op de teenen, zich in het zweet werkte om een reusachtige peer op een der pilaren van het hek van Neuilly te teekenen; de koning, met de goedheid, welke hij van Hendrik IV erfde, hielp den jongen, voltooide de peer, en gaf een louisd'or aan den knaap, zeggende: "Zie, daar staat ook een peer op." De straatjongen houdt van rumoer, en allerlei woestheid behaagt hem. Hij verfoeit "de pastoors." Op een dag teekende een dier jonge snaken een grooten neus op de koetspoort van het huis No. 69. "Waarom teekent ge dit op deze deur?" vroeg hem een voorbijganger. De jongen antwoordde: "Er woont een pastoor." Inderdaad, de pauselijke nuntius woonde er. Welk een Voltairiaan de straatjongen overigens zij, zoo de gelegenheid zich voordoet dat hij koorknaap kan worden, is 't mogelijk dat hij er toe overgaat, en in dit geval dient hij zeer lief de mis. Hij is Tantalus in twee zaken, en deze wenscht hij immer zonder ze te kunnen verkrijgen: het gouvernement omver te werpen en zijn broek gelapt te krijgen.
Allernauwkeurigst kent de straatjongen al de stadssergeanten, en weet altijd, zoo hij er een ontmoet, hem te noemen. Hij telt ze op de vingers. Hij bestudeert hun zeden, en heeft nopens ieder hunner bijzondere aanteekeningen. Als in een open boek leest hij in de zielen der politie. Zonder te stotteren zegt hij: deze is een verrader; deze is zeer ondeugend; deze is groot; deze is belachelijk (al deze woorden hebben in zijn mond een bijzondere beteekenis), deze verbeeldt zich dat de Pontneuf hem behoort en belet den lieden op den rand buiten de borstwering te gaan; gene trekt de menschen aan de ooren, enz. enz.
NEGENDE HOOFDSTUK.
DE OUDE GEEST VAN GALLIË.
In Molière was iets van den straatjongen; ook in Beaumarchais. In het leven des straatjongens is iets van den Gallischen geest. Deze, gepaard aan zijn gezond verstand, geeft hem soms kracht als de alcohol den wijn. Soms is deze geest een gebrek. De straatjongen treedt in Voltaire te voorschijn. Camille Desmoulins was een kind der voorstad. Championnet, die de mirakelen brutaliseerde, kwam van de Parijsche straat; jong had hij in de portalen der kerken van St. Jan van Beauvais en van Saint Etienne du Mont kattenkwaad bedreven en de reliquieënkast der H. Genoveva tamelijk oneerbiedig behandeld, om later bevelen aan het fleschje van den H. Januarius te geven.
De straatjongen van Parijs is eerbiedig, spotziek en onbeschoft. Hij heeft leelijke tanden, omdat hij slecht gevoed wordt en zijn maag ziekelijk is; hij heeft fraaie oogen, wijl hij schrander is. Hij groeit tot alles op. Hij speelt in de goot en verheft zich door den opstand; zijn onbeschaamdheid blijft hem bij, zelfs in het schrootvuur; hij was een kwajongen, en wordt een held; gelijk de jonge Thebaan schudt hij de leeuwenhuid; de tamboer Barra was een straatjongen van Parijs; hij roept: Voorwaarts! en in een oogenblik is de dreumes een reus.
Dit kind uit het straatslijk is ook het kind van het ideaal. Men mete slechts de vleugelvlucht van Molière tot Barra.
Ten slotte, en om alles in één woord samen te vatten: de straatjongen is een wezen, dat zich vermaakt, wijl het ongelukkig is.
TIENDE HOOFDSTUK.
ECCE PARIS, ECCE HOMO.
Om alles nog eens in een enkel woord te zeggen: de straatjongen van Parijs is heden, gelijk eertijds de groeculus van Rome, 't is het volk als kind, met den rimpel der oude wereld op het voorhoofd.
De straatjongen is voor de natie tevens een bekoorlijkheid en een ziekte; een ziekte die genezen moet worden; hoe? door verlichting.
Het licht maakt gezond.
Het licht verheldert.
Alle maatschappelijke weldaden komen voort uit de wetenschappen, de letterkunde, de kunsten, het onderwijs. Men vorme menschen! Verlicht ze, opdat zij u verwarmen. Vroeg of laat zal de gewichtige kwestie van het algemeen onderwijs met de onweerstaanbare macht van onwedersprekelijke waarheid gevestigd zijn, en zij die dan onder het opzicht der Fransche idée regeeren, zullen kiezen moeten tusschen de kinderen van Frankrijk of de straatjongens van Parijs; licht tusschen vlammen, of dwaallichten in de duisternis.
De straatjongen is de vertegenwoordiging van Parijs, Parijs die der wereld.
Want Parijs is een geheel. Parijs is de zoldering van het menschelijk geslacht. Geheel deze groote stad is een samenvatting der doode en levende zeden. Wie Parijs ziet, meent de geheele geschiedenis met den hemel en de sterren er tusschen te aanschouwen. Parijs heeft een kapitool, het stadhuis, een Parthenon, Notre Dame, een berg Aventinus, de voorstad St. Antoine, een asinarium, de Sorbonne, een Pantheon, het Pantheon, een heilige weg (via Sacra), de boulevard des Italiens, een windtoren, de openbare meening; en voor de gemoniën heeft het 't belachelijke. Zijn majo heet faraud (handwerkgezel), zijn transteverijn heet voorstedeling, zijn lazzarone heet pègre (dief), en zijn Cockney heet Gandin. Al wat elders is, is ook te Parijs.
Zoek iets wat Parijs niet heeft. De kuip van Trophonius bevat alles wat in den bak van Mesmer was; Ergaphilas herrijst in Cagliostro; de bramin Vasaphanta verlichamelijkt zich in den graaf van Saint-Germain; en het kerkhof van St. Medardus doet evengoed wonderen als de moskee Oumoumié te Damaskus.
Parijs heeft een Esopus, Mayeux, en een Canidia, mejuffrouw Le Normand. Het schrikt als Delphus bij de treffende vertooningen der geestverschijningen; het doet de tafels draaien gelijk Dodona de drievoeten. Het plaatst de grisette op den troon, gelijk Rome de courtisane. Kortom: Is Lodewijk XV erger dan Claudius, madame Dubarry is beter dan Messalina. Parijs vereenigt in zich, als in een onbeschrijfelijke type, die bestaan heeft en waarmede wij zelfs in aanraking zijn geweest, de Grieksche naaktheid, de hebreeuwsche melaatschheid en de gasconsche kwinkslag. Het mengt Diogenes, Job en Paljas ondereen, bekleedt een spook met oude nummers van den Constitutionnel en brengt Chodruc Duclos voort.
Hoewel Plutarchus zegt: "de tyran wordt niet oud", onderwerpt zich toch Rome onder Sulla evenals onder Domitiaan en mengde gaarne water in zijn wijn. De Tiber was een Lethé, zoo men den lof van Varus Vibiscus mag gelooven: Contra Gracchos Tiberim habemus. Bibere Tiberim id est seditionem oblevisci. Tegen de Grieken hebben wij den Tiber. Uit den Tiber te drinken is het oproer vergeten. Parijs drinkt dagelijks een millioen kannen water, maar dit belet niet, dat het bij gelegenheid den stormmarsch slaat en de stormklok luidt.
Overigens is Parijs toch goedhartig. Het neemt alles aan; in 't geen Venus betreft, is het niet keurig; zijn Callipyge is een Hottentotsche vrouw; zoo het maar kan lachen, vergeeft het alles; leelijkheid, wanstaltigheid vervroolijkt het; de ondeugd verschaft het verstrooiing; wees grappig en ge kunt een grappenmaker zijn; zelfs de huichelarij, deze uiterste onbeschaamdheid, walgt het niet; het is zoo letterkundig, dat het voor Basile den neus niet dichtknijpt, en zich evenmin ergert over het gebed van Tartuffe als Horatius voor den hik van Priapus terugdeinst. Geen trek van het gelaat der wereld ontbreekt aan het gezicht van Parijs. Het bal-Mabille is wel niet de Polymnische dans op den Janiculus, maar de uitdraagster loert er toch op de lorette evenals de koppelaarster Staphyla op de maagd Planesium loerde. De "barrière du combat" is geen Colyseum, maar men is er toch wreed alsof Cæsar toeschouwer was. De syrische herbergierster is bevalliger dan moeder Saguet; maar zoo Virgilius de romeinsche herberg bezocht, David d'Angers, Balzac en Charlet kwamen in de Parijsche kroeg. Parijs heerscht. De genieën fonkelen, de roodstaarten bloeien er. Adonaï rijdt er door op zijn wagen met twaalf wielen van donder en bliksem, en Sileen doet er zijn intrede op een ezel.
Parijs is synoniem met Cosmos. Parijs is Athene, Rome, Sybaris, Jeruzalem, Pantin. 't Is het kort begrip van alle beschaving, evenals van alle barbaarschheden. 't Zou Parijs leed doen zoo 't geen guillotine had.
Een weinig Grève-plein is goed. Wat zou dit eeuwige feest zijn zonder deze toespijs? Onze wetten hebben er wijselijk in voorzien; en aan haar is het te danken, dat deze valbijl zijn droppels op dit carnaval laat vallen.
ELFDE HOOFDSTUK.
SCHERTSEN EN HEERSCHEN.
Parijs kent geen grenzen. Geen stad heeft zulk een heerschappij gehad als de hare, die soms hen bespotte, welke zij onder het juk bracht. "U te behagen, o Atheniensers!" riep Alexander. Parijs maakt meer dan wetten, het maakt de mode; meer dan de mode, den sleur. Parijs kan, als 't wil, dom zijn, en veroorlooft zich soms deze weelde; maar dan is de wereld met Parijs dom; doch straks ontwaakt het, wrijft zich de oogen uit, zegt: "Wat ben ik dom!" en lacht in 't aanzien van het geheele menschdom. Welk een wonder is zulk een stad; 't is zonderling, dat deze grootheid en dit bespottelijke zulke goede buren zijn, dat al deze majesteit door al die parodie niet in de war wordt gebracht, en dat dezelfde mond heden de bazuin van het laatste oordeel en morgen een zakpijp kan blazen. Parijs bezit een heerschende vroolijkheid. Zijn vroolijkheid is de bliksem, en zijn kluchtigheid draagt een schepter. Zijn orkaan ontstaat soms uit een grimas. Zijn uitbarstingen, zijn groote dagen, zijn kunstgewrochten, zijn wonderen, zijn heldenfeiten gaan tot de uitersten der wereld; zijn domheden insgelijks. Zijn gelach is de krater van een vulkaan, die de geheele aarde bespat. Zijn lazzi zijn vonken. Het legt den volken zoowel zijn caricaturen als zijn ideaal op; de hoogste monumenten der menschelijke beschaving nemen zijn spotternijen aan en leenen hun eeuwigheid aan zijn kwajongensstreken. Parijs is majestueus; het heeft een wonderbare 14 Juli, die den aardbol vrijmaakt; aan alle natiën laat het den eed van de kaatsbaan doen; zijn nacht van 4 Augustus vernietigt in drie uren de drieduizendjarige leenheerschappij; het maakt van zijn logica de speer van den algemeenen wil; het vermenigvuldigt zich onder de vormen van het verhevene; het vervult met zijn glans Washington, Kosciusko, Bolivar, Botzaris, Rigo, Bem, Manin, Lopez, John Brown, Garibaldi; het is overal waar de toekomst zich verheldert, te Boston in 1779, op 't eiland Lion in 1820; te Pesth in 1848, te Palermo in 1860; het fluistert het machtige wachtwoord: vrijheid! in het oor der Amerikaansche abolitionisten die bij Harpers-Ferry verzameld zijn, en in het oor der patriotten van Ancona aan den oever der zee, in de schaduw der Archi voor de herberg van Gozzi vereenigd; het schept Canaris, Pisacana, Quiroga; het straalt het grootsche op de wereld uit; 't is wijl zijn adem hen voortstuwt, dat Byron te Missolonghi, en Mazet te Barcelona gaan sterven; het is de tribune onder de voeten van Mirabeau en de krater onder die van Robespierre; zijn boeken, zijn schouwburg, zijn kunsten, zijn wetenschappen, letterkunde en wijsbegeerte zijn de leesboeken voor het menschelijk geslacht; het heeft Pascal, Regnier, Corneille, Descartes, Jean Jacques; Voltaire voor iederen dag, Molière voor alle eeuwen; het doet den mond der wereld zijn taal spreken, en deze taal is woord geworden; in alle geesten bouwt het de idée van den vooruitgang; de bevrijdende leerstukken, die het verspreidt, zijn voor de geslachten uitgetrokken zwaarden, en van den geest zijner denkers en dichters zijn sedert 1789 al de helden van alle volken gevormd; schoon dat alles het echter niet belet straatjongen te zijn; en dit groot genie, dat Parijs wordt geheeten, en de wereld door zijn licht herschept, teekent met houtskool Bouginiers neus op den tempel van Theseus en schrijft "Credeville dief" op de pyramiden.
Parijs toont altijd de tanden; als het niet bromt, lacht het.
Zoo is Parijs. De rook zijner schoorsteenen vormt de denkbeelden der wereld. 't Is, zoo men wil, een hoop steenen en slijk, maar bovenal een zedelijk wezen. 't Is meer dan groot, 't is onmetelijk. Waarom? Wijl het durft.
Durven is de prijs van den vooruitgang.
Alle grootsche veroveringen zijn min of meer de prijs der stoutmoedigheid. 't Is niet voldoende, dat Montesquieu de revolutie vooruit ziet, dat Diderot ze preekt, dat Beaumarchais ze aankondigt, dat Condorcet ze berekent, dat Arouet ze voorbereidt, dat Rousseau er over mijmert. Danton moet ze durven ondernemen.
De kreet: Durven! is een Daar zij licht! Voor den vooruitgang van het menschelijk geslacht moeten uit de hoogte steeds fiere lessen van moed gegeven worden. Vermetelheid begoochelt de geschiedenis en stelt den mensch in 't schitterendst licht. De dageraad durft, wanneer zij aan de kimmen verrijst. Pogen, tarten, volharden, aanhouden, zich zelven trouw zijn, met het voorstellen de gebeurtenissen te verstommen door er geen vrees voor te toonen, de onrechtvaardige macht en de bedwelmde zegepraal tarten, pal staan; ziedaar het voorbeeld, dat de volken behoeven en het licht dat hen electriseert. Dezelfde ontzettende bliksem schiet zoowel uit de toorts van Prometheus als uit Cambronnes stompje.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
DE IN HET VOLK BESLOTEN TOEKOMST.
Zelfs als man, is het Parijsche volk altijd straatjongen; zoo men den jongen schildert, schildert men de stad, en daarom hebben wij den adelaar in de musch bestudeerd.
't Is vooral in de voorsteden, wij herhalen het, dat de Parijzenaar te voorschijn treedt; dáár is de volbloed Parijzenaar; daar vertoont hij zich in zijn ware gedaante, daar werkt en lijdt het volk: lijden en werken zijn de twee gestalten der menschheid. Daar zijn onpeilbare drommen onbekende wezens, en 't wemelt er van de zonderlingste typen, van den sjouwerman der Rapée af tot den viller van Montfaucon. Fex Urbis, roept Cicero; mob, voegt Burke verontwaardigd er bij. Gemeen volk, gepeupel, deze woorden zijn gemakkelijk gezegd. Goed! Wat doet het er toe, wat scheelt het mij, dat zij barrevoets gaan? Zoo zij niet lezen kunnen, des te erger. Moet men hen daarom aan hun lot overlaten? Moet men van hun nood een vloek maken? Kan het licht deze drommen niet doordringen? Herhalen wij den kreet: licht! met volharding. Licht! licht!--Wie weet, of deze duisternis zich niet zal ophelderen? Zijn de revolutiën geen herscheppingen? Gaat, wijsgeeren, onderwijst, verlicht, ontvlamt, denkt luidt, spreekt luid, gaat vroolijk in het volle zonlicht, maakt u met de openbare pleinen vertrouwd, verkondigt blijde tijdingen, strooit het alphabet, verklaart de rechten van den mensch, zingt de Marseillaise, zaait geestdrift en breekt de groene takken van de eiken. Laat de idée een maalstroom worden. Het volk kan gereinigd worden. Laat ons gebruik maken van deze uitgebreide ontvlamming der beginselen en deugden, die nu en dan opgaat. Deze bloote voeten, deze bloote armen, deze lompen, deze onwetendheid, deze verdorvenheid, deze duisternis kunnen nuttig aangewend worden. Men zie door het volk heen, en men zal de waarheid ontdekken. Dat men het gemeene zand, 't welk men onder den voet treedt, in den oven werpe, het smelt en zal schitterend kristal worden, en daarmede zullen Newtons en Galiléis sterren en werelden ontdekken.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
DE KLEINE GAVROCHE.
Acht of negen jaren na de in de tweede afdeeling van dit werk verhaalde gebeurtenissen, zag men op den boulevard du Temple en in den omtrek van het Waterkasteel een elf- of twaalfjarigen knaap, die tamelijk nauwkeurig de type van den hiervoren geschetsten straatjongen zou hebben verwezenlijkt, zoo, bij den glimlach van zijn leeftijd op de lippen, zijn hart niet geheel somber en ledig ware geweest. Deze knaap droeg wel een broek, maar hij had ze niet van zijn vader, wel een vrouwenjak, maar niet van zijn moeder. Vreemde lieden hadden hem uit liefdadigheid in de plunje gestoken. Hij had evenwel een vader en een moeder. Maar zijn vader dacht niet aan hem, en zijn moeder beminde hem niet. 't Was een dier bij uitnemendheid medelijdenswaardige kinderen, die ouders hebben en toch weezen zijn.
Deze knaap bevond zich nergens liever dan op de straat. Voor hem waren de straatsteenen minder hard dan het hart zijner moeder.
Zijn ouders hadden hem ruw in de wereld geworpen. En hij was eenvoudig zijn weg gegaan.
't Was een drokke, bleeke, vlugge, snuggere, grappige knaap met levendig, maar ziekelijk voorkomen. Hij ging, liep, zong, speelde, morste in de goten, stal een weinig, maar vroolijk gelijk de katten en musschen, lachte wanneer men hem deugniet, en werd kwaad als men hem bengel noemde. Hij had geen huisvesting, geen brood, geen vuur, geen liefde; maar hij was vroolijk, wijl hij vrij was.
Zoodra deze arme wezens mannen zijn geworden, ontmoet hen schier altijd de molensteen der maatschappelijke orde, die hen vermorzelt; als kind ontsnappen zij, wijl zij klein zijn. Het kleinste gaatje redt hen.
Hoe verlaten deze knaap was, gebeurde 't soms echter om de twee of drie maanden, dat hij zeide: Kom, ik ga moeder bezoeken! Dan verliet hij den boulevard, den circus, de porte St. Martin, ging langs de kaden, over de bruggen naar de voorsteden tot aan la Salpetrière, en waar kwam hij daar? Juist voor het dubbel nummer 50-52, dat de lezer reeds kent, aan het vervallen huis-Gorbeau.
Op dit tijdstip was dit oude huis 50-52, dat gewoonlijk ledig stond en met het bordje: "kamers te huur," prijkte--zeldzamerwijs--bewoond door verscheidene personen, die overigens, gelijk dit immer te Parijs het geval is, volstrekt in geen betrekking tot elkander stonden. Allen behoorden tot die armoedige klasse, welke aanvangt bij den geringen burger, die in slechte omstandigheden verkeert, en van den eenen trap van armoede tot den anderen in de maatschappelijke diepte verzinkt, tot aan de volgende twee wezens, bij wie alle stoffelijke zaken der beschaving een einde nemen: den gotenschepper, die het slijk wegveegt, en den voddenraper.
De "hoofdhuurderes," tijdens Jean Valjean er woonde, was overleden en door een dergelijke vervangen. Ik weet niet, welke wijsgeer gezegd heeft: "Aan oude vrouwen is nooit gebrek."
Deze nieuwe oude vrouw heette vrouw Burgon en had niets merkwaardigs in haar leven dan een dynastie van drie papegaaien, die achtereen over haar hart geregeerd hadden.
De armste dergenen, die het oude huis bewoonden, was een gezin van vier personen, vader, moeder, en twee bijna volwassen dochters, allen in dezelfde kamer gehuisvest, in een dier cellen, waarvan wij reeds gesproken hebben.
Dit gezin vertoonde bij den eersten aanblik niets bijzonders dan de uiterste armoede. De vader had, toen hij de kamer huurde, gezegd, dat hij Jondrette heette. Eenigen tijd nadat hij hier ingetrokken was, welke intrekking, om de eigenaardige uitdrukking der "hoofdhuurderes" te bezigen, een "verhuizing van niets" geleek, had Jondrette aan deze vrouw gezegd, die gelijk haar voorgangster, tevens portierster was en de trap veegde:--"Buurvrouw, zoo iemand mocht komen om een Pool of een Italiaan, of ook een Spanjaard te spreken... deze ben ik."
Die familie was de familie van den vroolijken barvoetigen knaap. Hij kwam te huis en vond er nood; doch wat treuriger was, geen enkelen glimlach; koude aan den haard en koude in de harten. Wanneer hij binnenkwam, vroeg men hem:--"Van waar komt ge?"--Hij antwoordde:--"Van de straat."--Wanneer hij heen ging, vroeg men hem:--"Waar gaat ge heen?" en hij antwoordde: "Naar de straat." Zijn moeder vroeg hem: "Wat komt ge hier doen?"
Deze knaap leefde in ontbering van alle liefde, gelijk bleeke grasscheuten in de kelders bij gemis van alle licht. Hij leed er niet onder en nam het niemand kwalijk. Hij wist eigenlijk niet hoe een vader en een moeder zijn moesten.
Zijn moeder beminde evenwel zijn zusters.
Wij hebben vergeten te zeggen, dat men op den boulevard du Temple dezen knaap den kleinen Gavroche noemde. Waarom heette hij Gavroche? Waarschijnlijk omdat zijn vader Jondrette heette.
Den familieband te verbreken, schijnt bij sommige arme familiën een instinct te zijn.
De kamer, welke het gezin Jondrette in het huis Gorbeau bewoonde, was de laatste aan het einde van de gang.
De cel er naast werd bewoond door een zeer arm jong mensch, die mijnheer Marius werd genoemd.
Laat ons zeggen wie mijnheer Marius was.
BOEK II.
DE GROOTE BURGER.
EERSTE HOOFDSTUK.
NEGENTIG JAREN EN TWEE-EN-DERTIG TANDEN.
In de straat Boucherat, in de straat de Normandie, en in de straat Saintonge bestaan nog eenige lieden, die zich een oud man, een zekeren mijnheer Gillenormand, herinneren en gaarne van hem spreken. Deze man was reeds oud, toen zij jong waren. Zijn gestalte is voor hen, die met droefgeestigen blik dat flauwe schimmengewemel aanschouwen, 't welk men het verleden noemt, nog niet geheel en al uit dien doolhof van straten in den omtrek van den Temple verdwenen, waaraan, onder de regeering van Lodewijk XIV, de namen van al de provinciën van Frankrijk werden gegeven, gelijk men in onzen tijd aan de straten der nieuwe wijk Tivoli de namen van al de hoofdsteden van Europa gegeven heeft; een bewijs van vooruitgang ook in dit opzicht.
De heer Gillenormand die in 1831 nog springlevend was, was een dier menschen, welke door hun hoogen leeftijd merkwaardig worden en thans ongemeen zijn, terwijl zij vroeger als iedereen geleken en thans op niemand meer gelijken. Hij was een zonderling grijsaard en wel degelijk een man van een andere eeuw, de volmaakte en een weinig trotsche burger der achttiende eeuw, die even fier op zijn oud burgerschap was als de markies op zijn markiezaat. Hij was over de negentig jaar oud, ging rechtop, sprak luid, zag helder, dronk goed, at, sliep en ronkte evenals vroeger. Hij had nog al zijn twee-en-dertig tanden. Slechts om te lezen gebruikte hij een bril. Hij was verliefd van natuur, maar zeide dat hij sedert tien jaren bepaald geheel en al van de vrouwen had afgezien. Hij kon niet meer behagen, zooals hij zeide; hij voegde er echter niet bij: ik ben te oud; maar: ik ben te arm; ware ik niet geruïneerd... O!--Hij bezat inderdaad slechts een inkomen van omstreeks vijftien duizend francs. Zijn eenigste wensch was te erven en honderd duizend francs rente te bezitten om maitressen te kunnen houden. Hij behoorde, gelijk men ziet, niet tot die soort van ziekelijke grijsaards die, zooals Voltaire, levenslang sterven; hij had niet het lange leven van een gebarsten pot; de fiksche grijsaard was altijd gezond geweest. Hij was oppervlakkig, driftig, spoedig vergramd. Bij elke gelegenheid bruiste hij op, meestal ten onrechte. Zoo men hem tegensprak, hief hij zijn stok op, en sloeg de menschen als in de "groote eeuw." Hij had een ongehuwde dochter van over de vijftig jaar, welke hij duchtig ranselde, als hij toornig werd, en zeer gaarne zelfs had gegeeseld. Zij was voor hem niet ouder dan acht jaar. Zijn dienstboden gaf hij oorvegen, noemde ze beesten! en overlaadde ze met vloeken. Toch was hij soms buitengewoon kalm en rustig; en liet zich dagelijks door een barbier scheren, die krankzinnig was geweest en mijnheer Gillenormand haatte, wijl hij jaloersch op hem was, om zijn vrouw, een bekoorlijke coquette.
De heer Gillenormand bewonderde zijn eigen knapheid in alle zaken, en verklaarde zich zelven voor zeer schrander en verstandig; hij zeide onder anderen: "Ik heb waarlijk zooveel scherpzinnigheid, dat ik u zou kunnen zeggen van welke vrouw ik de vloo heb, die mij bijt." De woorden, die hij 't meest gebruikte, waren: "de gevoelige mensch" en "de natuur." Hij gaf aan dit laatste woord niet dezelfde grootsche beteekenis, die onze eeuw er aan hecht, maar mengde het op zijn wijze onder zijn bijtende uitvallen in het hoekje van den haard.--De natuur, zeide hij, schenkt der beschaving, opdat zij een weinig van alles hebbe, zelfs velerlei soorten van vermakelijke barbaarschheden. Europa heeft staaltjes van Azië en Afrika in klein formaat. De kat is een kamertijger, de hagedis een zakkrokodil. De danseressen der opera zijn rozeroode wilden. Zij eten de mannen niet op, maar zuigen ze uit. Ofwel--die tooveressen!--zij veranderen ze in oesters en slikken ze aldus. De Karaïeben laten slechts de beenderen over, zij niets dan de schaal. Zoo zijn onze zeden. Wij verslinden niet, maar knagen; wij vernietigen niet, maar houden toch vast met onze klauwen.
TWEEDE HOOFDSTUK.
ZOO DE MAN, ZOO DE WONING.
Hij woonde in het Marais, in de straat des filles du Calvaire No. 6. Het huis behoorde hem. Dit huis is sedert afgebroken en herbouwd, en het nummer ervan waarschijnlijk in de omwentelingen der hernummering, welke de straten van Parijs ondergaan, veranderd. Hij bewoonde ruime ouderwetsche vertrekken op de eerste verdieping, tusschen de straat en de tuinen. De wanden waren er tot aan de zoldering behangen met groote tapijten van Gobelin en Beauvais, waarop herderlijke tafereelen voorgesteld werden, die op de bekleedsels der stoelen in 't klein waren nageschetst. Zijn bed was achter een groot kamerscherm van negen, met Coromandelsch lakwerk versierde, bladen verborgen. Lange gordijnen hingen in prachtige zware plooien voor de ramen. De vlak onder zijn vensters liggende tuin was met een der ramen, die den hoek vormde, verbonden door middel van een twaalf of vijftien treden hooge trap, die de goede man zeer vlug op- en afging. Behalve een bibliotheek naast zijn kamer had hij een boudoir, waarop hij zeer gesteld was, met een leliegeel behang versierd, dat op order van den heer de Vivonne, die 't zijne minnares wilde geven, op de galeien van Lodewijk XIV door de galeislaven vervaardigd was. Dit had de heer de Gillenormand van een knorrige tante van moederszijde geërfd, die honderd jaar oud was geworden. Hij had twee vrouwen gehad. In zijn manieren bezat hij iets van een hoveling, als hij nooit geweest was, en van een magistraatspersoon, als hij had kunnen zijn. Hij was vroolijk en als hij wilde vleiend. In zijn jongen tijd was hij een derzulken geweest, die altijd door hun vrouwen en nooit door hun minnaressen bedrogen worden, wijl zij tegelijk de onaangenaamste echtgenooten en de teederste minnaars zijn. Hij was kunstkenner. In zijn kamer had hij een bewonderenswaardig schoon portret van een onbekende, door Jordaens met stout penseel geschilderd. De kleeding van mijnheer Gillenormand was niet uit den tijd van Lodewijk XV of van Lodewijk XVI; 't was het kostuum der incroyables (modegekken) van het Directoire. Tot dien tijd had hij zich altijd jong geloofd en de mode gevolgd. Zijn rok was van licht laken met breede overslagen, panden zoo lang als zwaluwstaarten en groote stalen knoopen. Daarbij een korte broek en gespen op de schoenen. Hij hield altijd de handen in zijn zakken, en zei dikwijls met gezag: "De Fransche Revolutie was niets dan een hoop bandieten."
DERDE HOOFDSTUK.
ZIJN DOOPNAMEN.
Op zijn zestiende jaar had hij de eer gehad, op één avond in de opera te gelijk door twee destijds rijpe en vermaarde schoonheden, beide door Voltaire bezongen, door la Camargo en la Sallé begluurd te worden. Tusschen twee vuren geraakt, had hij toen een heldhaftigen aftocht gemaakt naar een kleine danseres, Naherry genaamd, die evenals hij zestien jaar oud en geheel onbekend was, en op wie hij verliefd was geworden. Hij vloeide over van herinneringen. "O!" riep hij vaak, "hoe schoon was Guimard, toen ik haar het laatst te Longchamps zag, met haar heerlijke, sentimenteele lokken, turkooizen-oorbellen, nieuwmodisch kleed en mof!"--In zijn jongelingsjaren had hij een buis à la Nain-Londrin gedragen, waarvan hij gaarne en met genoegen sprak.--"Ik was als een Turk uit de Levant gekleed," zeide hij dan. Mevrouw de Boufflers, die hem toevallig had gezien, noemde hem, toen hij twintig jaar oud was: "een allerliefste dwaas." Hij ergerde zich over al de namen, welke hij in de politiek en het bewind zag, en vond ze gemeen en burgerlijk. Hij las de dagbladen, en noemde ze in lachen uitbarstend de "nieuwe papieren." "Wie zijn toch deze lieden: Corbiere, Humann! Casimir Perier!" vroeg hij dan, "zijn zij ministers? Wat zou 't grappig zijn, zoo ik eens in de courant las: mijnheer de minister Gillenormand.--Nu, zij zijn dom genoeg om zoo iets te doen!" Hij noemde alles onbewimpeld bij den waren naam, zonder zich in de tegenwoordigheid van vrouwen te ontzien. De grootste onbetamelijkheden en vuilste taal sprak hij op zulk een ongedwongen en kalmen toon uit, alsof 't zoo behoorde.
Wel was dit de ongedwongenheid zijner eeuw. Het is opmerkelijk, dat de tijd van sierlijke omschrijvingen in dichtmaat juist die van ruwheid in het proza was. Zijn peet had voorspeld, dat hij een man van genie zou zijn en had hem de twee veelbeteekenende namen van Luc-Esprit gegeven. (Lucas-Geest).
VIERDE HOOFDSTUK.
EEN ASPIRANT NAAR DE HONDERD JAAR.
In zijn kindsheid had hij in de school te Moulins, waar hij geboren was, menigmaal prijzen behaald en was er zelfs door de hand van den hertog van Nivernais, dien hij den hertog van Nevers noemde, bekroond. Noch de conventie, noch de dood van Lodewijk XIV, noch Napoleon, noch de terugkomst der Bourbons, hadden de herinnering aan die bekroning kunnen uitwisschen. De "hertog van Nevers" was voor hem de groote figuur der eeuw. "Welk een goed, groot heer was hij, en hoe fraai stond hem het blauwe lint," dus sprak hij dikwijls. In zijn oogen had Katharina II de misdaad van Polens verbrokkeling uitgewischt, door van Bestuchef voor drie duizend roebels het geheim van het goud-elixer te koopen. Als hij daarvan sprak, geraakte hij in vuur. "Het goud-elixer," riep hij dan, "de gele tinctuur van Bestuchef, de droppels van generaal Lamotte,--het was in de negentiende eeuw, voor een louisd'or het fleschje van een half ons, het groote hulpmiddel tegen de rampen der liefde, het panacee tegen Venus. Lodewijk XV zond er tweehonderd flesschen van aan den paus."--Men zou hem vertoornd en tot het uiterste gebracht hebben, zoo men hem gezegd had, dat het goud-elixer niets anders dan perchlorure van ijzer was. Mijnheer Gillenormand vereerde de Bourbons en verfoeide 1789; zonder ophouden kon hij vertellen, op welke wijze hij tijdens het schrikbewind ontsnapt was, en hoe vroolijk en schrander hij had moeten zijn om zijn hoofd te kunnen behouden. Zoo een jongeling het waagde hem met lof van de republiek te spreken, werd hij zoo rood van toorn, dat hij schier in onmacht viel. Soms zinspelend op zijn negentig jaren zeide hij: "Ik hoop niet, dat ik tweemalen drie-en-negentig jaren zal beleven." Een andermaal echter gaf hij weer te kennen, dat hij voornemens was honderd jaar oud te worden.
VIJFDE HOOFDSTUK.
BASQUE EN NICOLETTE.
Hij had theorieën. Eene er van was: "Zoo een man de vrouwen hartstochtelijk bemint en hij zelf een vrouw heeft, die hem onverschillig, die leelijk, bits, en bijgevolg vol aanmatigingen, desnoods jaloersch is en op het wetboek steunt, schiet hem slechts één middel over om rust en vrede te hebben, namelijk: die vrouw over de beurs te laten beschikken. Deze afstand maakt hem vrij. Dan toch heeft de vrouw bezigheid, krijgt zooveel lust in 't geld tellen, dat haar vingers vuil worden, rijdt de huurders en pachters na, raadpleegt procureurs, notarissen, advocaten, procedeert, stelt huurcontracten op, gevoelt zich meesteres, koopt, verkoopt, regelt, belooft, bindt en ontbindt, brengt nu alles in orde, dan in wanorde, bezuinigt, verspilt, doet dwaasheden, hetgeen een groot geluk is, en vindt daarin haar troost. Terwijl de echtgenoot haar veronachtzaamt, heeft zij dus het vermaak hem te ruïneeren." Deze theorie had mijnheer Gillenormand op zich zelven toegepast en zij was zijn geschiedenis geworden. Zijn tweede vrouw toch had zijn vermogen zóó beheerd, dat den heer Gillenormand, toen hij op zekeren dag weduwnaar werd, juist genoeg overbleef om ervan te kunnen leven, zoo hij alles op lijfrente zette, hetgeen een rente van vijftienduizend francs uitmaakte, waarvan drie vierden met hem te niet moesten gaan. Hij had zich niet lang bedacht en er zich weinig om bekommerd, of hij al dan niet een erfenis naliet. Bovendien had hij gezien, dat eigendommen aan verandering onderhevig waren en, bij voorbeeld, soms "nationaal eigendom" konden worden; en daar hij tierceering had bijgewoond, stelde hij ook in het grootboek geen crediet.--Dat alles was "straat Quincampoix," zwendelarij. Wij hebben gezegd, dat het huis in de straat "des filles du Calvaire" hem behoorde. Hij had twee dienstboden, "een mannelijke en een vrouwelijke." Zoodra iemand bij den heer Gillenormand in dienst kwam, werd die door hem herdoopt. Hij gaf den mannen den naam hunner provincie: Nîmois, Courtois, Poitevin of Picard. Zijn laatste knecht was een dik, amechtig man van vijf-en-vijftig jaar, die geen twintig schreden kon loopen; doch daar hij te Bayonne geboren was, noemde de heer Gillenormand hem Basque. De dienstmeiden heetten alle Nicolette bij hem, zelfs Magnon, van wie later zal gesproken worden. Op zekeren dag bood een keukenmeid van den eersten rang hem haar dienst aan.
"Hoeveel loon begeert ge 's maands?" vroeg mijnheer Gillenormand.
"Dertig francs."
"Hoe heet ge?"
"Olympia."
"Ge zult vijftig francs hebben en Nicolette heeten."
ZESDE HOOFDSTUK.
MAGNON MET HAAR TWEE KINDEREN.
Bij den heer Gillenormand uitte zich de smart in toorn; hij kon woedend zijn over zijn wanhoop. Hij had allerlei vooroordeelen en veroorloofde zich alles. Bovenal was hij trotsch en innig tevreden dat hij, zooals wij gezegd hebben, nog in zijn ouderdom zoo galant was gebleven en daarvoor ook gehouden werd. Hij noemde dit een koninklijke vermaardheid. En zij bezorgde hem ook zonderlinge voordeelen. Op zekeren dag bracht men hem in een oestermand een dik pasgeboren knaapje, schreeuwende als de drommel en goed ingebakerd, waarvan hem het vaderschap werd toegeschreven door een dienstmeid, welke hij zes maanden geleden had weggejaagd. Mijnheer Gillenormand was toen vier-en-tachtig jaar oud. Ergernis en gebabbel in de buurt. "Wien zou die schaamtelooze zoo iets durven wijs maken? Welk een vermetelheid, welk een schandelijke laster!" Maar mijnheer Gillenormand was er volstrekt niet verstoord over. Hij beschouwde het kind met den tevreden glimlach van iemand, wien de laster vleit, en zei: "Welnu, wat zou dat, wat is er te doen? ge verwondert u waarlijk als menschen, die van niets weten. De hertog van Angoulême, bastaard van zijne Majesteit Karel IX, trouwde, toen hij vijf-en-tachtig jaar oud was, met een nufje van vijftien jaar, mijnheer Virginal, markies van Alluye, broeder van den kardinaal de Sourdis, aartsbisschop van Bordeaux, verwekte, drie-en-tachtig jaar oud zijnde, een zoon bij een kamenier van de presidentsvrouw Jaquin, een waar kind der liefde, die Malthezer ridder en staatsraad met den degen werd; een der grootste mannen dezer eeuw, de abt Tabaraud, is de zoon van een zeven-en-tachtigjarig man. Die dingen hebben niets buitengewoons. En dan de bijbel! Ik verklaar echter, dat deze kleine niet van mij is. Toch moet men hem verzorgen. 't Is zijn schuld niet."--Zijn handelwijze was waarlijk goedaardig.
Het schepsel, dat Magnon heette, zond hem het volgende jaar een dergelijk geschenk. Nu kapituleerde mijnheer Gillenormand. Hij gaf aan de moeder de twee kleinen terug en verbond zich, om maandelijks tachtig francs voor hun onderhoud te betalen, op voorwaarde dat gezegde moeder het er nu bij zou laten. Hij voegde er nog bij: "Ik verlang, dat de moeder ze goed behandelen zal. Van tijd tot tijd zal ik ze bezoeken." En dit deed hij. Hij had een broeder gehad, die priester en dertig jaren rector der academie van Poitiers geweest en op negen-en-zeventigjarigen ouderdom overleden was. Toch zeide hij, dat hij hem jong verloren had. Deze broeder, die weinige herinneringen heeft achtergelaten, was een vreedzame vrek, die als priester zich verplicht achtte den armen, welke hij ontmoette, aalmoezen te geven, maar hun ook niets dan slecht of valsch geld schonk, en aldus het middel vond langs den weg des hemels naar de hel te gaan. Mijnheer Gillenormand senior zag op geen aalmoes en gaf gaarne en mild. Hij was goedhartig, ruw, liefdadig, en ware hij rijk geweest, hij zou misschien naar prachtlievendheid zijn overgeheld. Alles moest, voor zoover 't hem aanging, op groote schaal gebeuren, zelfs schurkenstreken.
Eenmaal, toen hij bij een erfenis op de gemeenste en tastbaarste wijze door een zaakwaarnemer geplukt was, riep hij op plechtige wijze: "Foei! dat is slordig! ik schaam mij er over. Alles ontaardt in deze eeuw, zelfs de schelmen. Wat duivel! zóó laat iemand van mijn soort zich niet plunderen. Ik ben bestolen als in een bosch, maar gemeen bestolen. Silvæ sint consule dignæ."--Hij had, zooals wij zeiden, twee vrouwen gehad; van de eerste had hij een dochter, die ongehuwd was gebleven, en van de tweede nog een dochter, die op dertigjarigen leeftijd gestorven was, na uit liefde of toevallig met een soldaat van fortuin getrouwd te zijn geweest, die in de gelederen van republiek en keizerrijk gediend en bij Austerlitz het kruis gekregen had, te Waterloo tot kolonel was verheven en door den ouden burger nochtans de schandvlek der familie werd genoemd. Hij snoof sterk en wist zeer bevallig met den rug zijner hand de snuifkorrels van zijn kanten chabot te slaan. Aan God geloofde hij niet sterk.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
REGEL: ONTVANG ALLEEN DES AVONDS BEZOEK.
Zoo was mijnheer Luc Esprit Gillenormand, die zijn meer grijze dan witte haren nog niet verloren had en nog altijd naar de mode zijner jeugd gekapt was. Overigens was hij bij dat alles zeer deftig.
Hij had iets van de achttiende eeuw: beuzelachtig en groot.