DE KOOPMAN VAN VENETIë.
PERSONEN:
De Doge van Venetië.
De Prins van Marocco, }
De Prins van Arragon, } dingende naar Portia's hand.
Antonio, de koopman van Venetië.
Bassanio, zijn vriend.
Solanio, }
Salarino, } vrienden van Antonio en Bassanio.
Gratiano, }
Lorenzo, minnaar van Jessica.
Shylock, een rijke Jood.
Tubal, een Jood, zijn vriend.
Lancelot Gobbo, Shylocks knecht.
De oude Gobbo, vader van Lancelot.
Leonardo, bediende van Bassanio.
Balthazar, }
Stefano, } bedienden van Portia.
Portia, een rijke erfgename.
Nerissa, haar kamerjuffer.
Jessica, dochter van Shylock.
Senatoren van Venetië, Beambten van het gerechtshof, een Gevangenbewaker, Bedienden en verder Gevolg.
Het stuk speelt gedeeltelijk te Venetië, gedeeltelijk te Belmont, het landgoed van Portia.
EERSTE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Venetië. Een straat.
Antonio, Salarino en Solanio komen op.
ANTONIO. 'k Weet waarlijk niet, hoe ik zoo somber ben;
Ik ben het moe; gij zegt, dat zijt gij ook;
Maar hoe 't mij aanwoei, hoe ik er aan kwam,
Van welken aard het is, en hoe ontstaan,
Dat is me een raadsel;
Die somberheid maakt mij tot zulk een zwakhoofd,
Dat ik te nauwernood mijzelf herken.
SALARINO. Uw geest wordt op den oceaan geslingerd,
Waar uw galjoenen, fier het zeil in top,
Als eed'len en grootburgers van de zee,
Door statigheid hun hoogen rang verkonden
En neerzien op de kleine handelsluî,
Die needrig buigend hem begroeten, als
Zij langs hen vliegen met geweven vleug'len.
SOLANIO. Geloof mij, stond voor mij zoo veel op 't spel,
Het beste deel van mijn gedachten waar'
Ginds met mijn hoop aan 't dwalen. Telkens zou ik
Gras plukken om de windstreek na te gaan,
Op kaarten zien naar reeden, havens, hoofden;
En alles, wat mij onheil kon doen duchten
Voor schepen of voor lading, zou gewis
Mij somber maken.
SALARINO. Mijn blazen, dat mijn soep bekoelde, joeg
Me een koude koorts op 't lijf, als ik bedacht,
Wat schade op zee een sterke wind kan doen.
Ik zag het zand niet loopen in het uurglas,
Of dacht ook reeds aan ondiepten en banken,
En zag mijn rijken Andries omgeslagen,
Den masttop lager dan de zijde in 't zand,
Als om zijn graf te kussen. Ging ik op
Ter kerke, zou het heilig steengevaart'
Mij fluks niet denken doen aan booze rotsen,
Die, raken zij mijn ranke kiel slechts aan,
Haar specerijen op den vloed verstrooien,
Mijn zijde als mantels spreiden over 't diep,
Kortom, wat pas nog schatten waard was, plotsling
Als niets doen zijn? Is 't denkbaar, dat mijn geest
Dit denken zou, en dan niet zou gaan denken
Hoe zulk een ongeval mij leed zou doen?
Neen, zeg maar niets; ik weet, Antonio
Is somber, wijl hij aan zijn zaken denkt.
ANTONIO. Geloof mij, neen, want, dank zij mijn geluk, Ik heb mijn goed niet aan één schip vertrouwd, Niet aan één plaats, en mijn vermogen hangt Niet af van 't slagen in een enkel jaar; Daarom, 't is niet mijn handel, die me ontstemt.
SALARINO. Nu, dan zijt gij verliefd.
ANTONIO. Foei, foei!
SALARINO. Ook niet verliefd? Nu, dan, dan zijt ge treurig, Wijl gij niet vroolijk zijt, en zóó kondt gij Ook lachen, springen, zeggend: "ik ben vroolijk, Wijl ik niet treurig ben." Bij Janus' dubb'len kop, Natuur brengt soms toch rare snuiters voort: Die knijpt voortdurend de oogen toe van 't lachen, Als bij een doedelzak een papegaai; En de ander heeft zoo'n uitzicht van azijn, Dat hij door lachen nooit zijn tanden toont, Al deed een grap ook de' ouden Nestor schaat'ren.
(Bassanio, Lorenzo en Gratiano komen op.)
SOLANIO. Ziedaar Bassanio, uw eed'len neef,
Gratiano en Lorenzo; vaar nu wel;
Wij laten u in 't best gezelschap achter.
SALARINO. 'k Had willen blijven, tot ge monter waart, Maar thans, nu beter komt, moog' minder wijken.
ANTONIO. Geloof me, heeren, ik waardeer u hoog,
Maar reken, dat uw zaken thans u roepen,
En gij nu vrijheid vindt om heen te gaan.
SALARINO. Vaartwel dan, eed'le heeren.
BASSANIO. Vrienden, zegt,
Wanneer weer eens een prettig samenzijn?
Wij zien elkaar zoo weinig; waartoe dit?
SALARINO. Als 't u gelegen komt, wij zijn bereid.
(Salarino en Solanio af.)
LORENZO. Daar gij Antonio nu gevonden hebt,
Bassanio, willen wij u thans verlaten;
Maar denk op 't etensuur present te zijn.
BASSANIO. Daar kunt gij vast op reeknen.
GRATIANO. Gij ziet er niet goed uit, Antonio, Gij trekt te veel u 's werelds zaken aan; Wie daar zijn hart op zet, verliest zijn rust. Geloof me, uw uitzicht is geheel veranderd.
ANTONIO. Ik acht de wereld, vriend, zooals zij is, Een speeltooneel, waar elk zijn rol op speelt; De mijne is somber.
GRATIANO. Ik speel dan den Nar. 'k Wacht dartlend, lachend, rimplige' ouderdom, En laat, al drinkend, eer mijn lever schudden, Dan dat, door ach en wee, mijn hart verkilt. Waarom, als 't warme bloed nog stroomt, te zitten Als grootvaârs marm'ren beeld? waartoe te slapen, Als 't wakenstijd is? en de geelzucht zich Op 't lijf te kniezen? Neen, Antonio, hoor, Ik heb u lief en zoo spreekt nu mijn liefde: Er is een slag van lieden, wier gelaat Steeds ondoorschijnend is als stilstaand water, Die eigenzinnig zwijgen altijd door, Met doel om zich een dunk en roep te geven Van wijsheid, waardigheid en diepen zin, Als zeiden zij: "Ik ben 't orakel zelf, En open ik den mond, dan blaff' geen hond"; Die daarom slechts den naam van wijzen dragen, Omdat zij nooit iets zeiden, doch voorwaar Hun hoorders, als zij spraken, strafbaar maakten, Wijl deez' hun broeders "dwazen" zouden noemen. Doch meer hiervan een ander maal; gij, hengel Dus niet met uw droefgeestigheid als aas Naar narren-katvisch, dezen wijsheidsschijn. Kom mee, Lorenzo.--Houd zoolang u goed; Na 't eten krijgt gij 't einde van mijn toespraak.
LORENZO. Ja, wij verlaten u tot na den noen;
Ik moet nu wel zoo'n wijze zwijger zijn,
Want Gratiano laat mij nooit aan 't woord.
GRATIANO. Ja, klamp u vast aan mij twee jaren lang, Dan kent gij zelfs uw eigen stem niet meer.
ANTONIO. Vaarwel; op uw vermaan word ik een prater.
GRATIANO. Zeer goed, want weet, dat zwijgen nooit behaagt, Dan van gerookte tong en van een schuchtre maagd.
(Gratiano en Lorenzo af.)
ANTONIO. Heeft hij daar nu iets ter wereld gezegd?
BASSANIO. Gratiano praat oneindig veel, dat niets is, meer dan eenig mensch in geheel Venetië. Zijn verstandige gedachten zijn als twee tarwekorrels in twee schepels kaf; gij kunt er den geheelen dag naar zoeken, eer gij ze vindt; en als gij ze hebt, zijn ze de moeite van 't zoeken niet waard.
ANTONIO. Hoe 't zij, vertel mij nu, naar welke jonkvrouw Gij in 't geheim die beêvaart zwoert te doen, Waarvan gij mij vandaag vertellen zoudt?
BASSANIO. Antonio, 't is u al te wel bekend,
Hoe zeer ik mijn vermogen heb verspild,
Door vrij wat weidscher, rijker staat te voeren,
Dan mijn gering fortuin verduren kon.
Maar 'k roep geen ach en wee, dat ik moet afzien
Van zulk een glans; mijn groote zorg is nu
Met eer die groote schulden af te doen,
Waarin mijn jeugd, die al te spilziek was,
Mij heeft verstrikt; Antonio, 'k ben aan u
Het meeste schuldig, geld niet slechts, maar liefde;
Diezelfde liefde is mij een borg, dat ik
U oop'ning doen mag van mijn plan, om al
Die schulden, die mij drukken, af te werpen.
ANTONIO. Ik bid u, vriend Bassanio, deel het mee, En kan het, even als gijzelf steeds doet, Voor 't oog der eer bestaan, wees dan verzekerd, Ikzelf, mijn beurs en al wat ik vermag, 't Is alles 't uwe, voor uw dienst gereed.
BASSANIO. Verloor ik in mijn schooltijd soms een pijl,
Dan schoot ik hem een tweeden van die soort,
Denzelfden weg uit, na, gaf beter acht,
Tot waar hij vloog, en, beide wagend, vond ik
Ze beide vaak. Dit kindervoorbeeld past,
Omdat wat volgt, ook louter onschuld is.
Gij gaaft mij veel, en, als een wilde knaap,
Verloor ik wat gij gaaft, maar waagt gij 't nu,
Een tweeden pijl denzelfden weg te schieten,
Den eersten achterna, ik maak mij sterk,
Daar ik zijn vlucht bespiê, ze beî te vinden,
Of breng, wat gij het laatste waagdet, weêr,
En blijf uw dankb're schuldnaar voor het eerste.
ANTONIO. Gij kent mij toch; wat spilt gij dan uw tijd,
En neemt een kronklende' omweg tot uw vriend;
Gij grieft mij waarlijk dieper, als ge twijfelt,
Of ik voor u het uiterst wel zou doen,
Dan als gij heel mijn have hadt verspild.
Deel dus mij mee, wat gij van mij verlangt,
Wat gij vermeent, dat ik vermag te doen;
Ik ben bereid en daad'lijk; zeg het dus.
BASSANIO. In Belmont woont een jonkvrouw, rijk in goedren,
In schoonheid rijk, en, rijker nog dan dit,
Ook rijk in deugden; uit haar oogen ving ik
Reeds vroeger lieve stomme tijding op.
Haar naam is Portia; ze is wedergâ
Van Cato's dochter, Brutus' Portia.
De wereld door is reeds haar roem verbreid;
Van 't uiterste eind der aard, van iedre kust,
Brengt iedre wind, om naar haar hand te dingen,
De bloem der jonglingschap. Haar zonnig haar
Golft om haar slapen als een gulden vlies;
En Belmont is een tweede Colchisch strand,
En menig Jason komt om haar te erlangen.
Antonio, vriend, o, had ik slechts de midd'len,
Om waardig mij met een van hen te meten,
Dan mocht ik,--onbedrieglijk spelt mij dit
Mijn hart, mijn ziel,--het hoogste heil verwachten.
ANTONIO. Gij weet, mijn gansch vermogen is op zee;
Ik heb geen geld en ook geen koopmansgoedren,
Die ik verpanden kan; maar ga, beproef,
Wat in Venetië mijn krediet vermag;
Ik verg er 't uiterst van, om u naar eisch
Voor Portia, naar Belmont, uit te rusten,
Vraag na, waar geld beschikbaar is; ook ik
Doe 'tzelfde, en ben geen oogenblik bezorgd,
Dat men niet gaarne, en op mijn woord, mij borgt.
(Beiden af.)
TWEEDE TOONEEL.
Belmonte. Een kamer in Portia's huis.
Portia en Nerissa komen op.
PORTIA. Op mijn woord, Nerissa, mijn klein persoontje heeft van deze groote wereld meer dan genoeg.
NERISSA. Dat mocht zoo wezen, lieve jonkvrouw, als uw ellende evenzoo bovenmatig was als thans uw geluk. Maar voor zoover ik zie, zijn zij, die zich overladen met te veel, al even ziek, als zij, die aan alles gebrek hebben. Het is daarom geen middelmatig geluk juist in de middelmaat te zijn; overvloed krijgt vroeger grijze haren, maar juist van pas leeft langer.
PORTIA. Goede spreuken, en goed voorgedragen.
NERISSA. Nog beter zouden zij wezen, als zij goed werden opgevolgd.
PORTIA. Als doen even gemakkelijk was, als weten, wat goed is te doen, dan waren kapelletjes kerken, dagloonerswoningen vorstenpaleizen geworden. Het is een goed geestelijke, die zijn eigen voorschriften opvolgt; ik kan gemakkelijker aan twintig menschen leeren, wat zij moeten doen om goed te doen, dan een van de twintig zijn en mijn eigen lessen opvolgen. Het brein kan wel wetten voor het gestel uitdenken, maar een vurig bloed springt over een koel voorschrift heen; zulk een haas is de jongeling Onverstand, dat hij heenwipt over het net van Goeden Raad, den kreupele. Maar dit redeneeren helpt mij volstrekt niet bij het kiezen van een man.--O wee, dat woord kiezen! Ik mag niet kiezen, dien ik zou willen, en niet afwijzen dien ik niet mag lijden; en zoo is de wil van een levende dochter aan banden gelegd door den wil van een dooden vader.--Is het niet hard, Nerissa, dat ik niemand kiezen mag, en ook niemand afwijzen?
NERISSA. Uw vader was een braaf man, en vrome menschen hebben bij hun dood goede ingevingen. Daarom zal bij de loterij, die hij uitgedacht heeft van die drie kastjes van goud, zilver en lood, (waardoor hij, die in zijn geest kiest, u kiest,) zonder eenigen twijfel door niemand de echte keus gedaan worden dan door een, die u echte liefde toedraagt. Maar hoe staat het met de warmte van uw genegenheid jegens een van de vorstelijke aanbidders, die alreeds gekomen zijn?
PORTIA. O, wees zoo goed en noem ze op; als gij ze noemt, zal ik ze u beschrijven; en naar mijn beschrijving moogt ge mijn genegenheid afmeten.
NERISSA. Vooreerst dan, de Napelsche prins.
PORTIA. O, die is inderdaad een veulen, want hij doet niets dan van zijn paard spreken; en hij vindt het een belangrijk toevoegsel aan zijn begaafdheden, dat hij het zelf beslaan kan; ik vrees inderdaad, dat mevrouw zijn moeder valsch spel speelde met een hoefsmid.
NERISSA. Dan verder de paltsgraaf.
PORTIA. Die zet altijd een zuur gezicht, alsof hij zeggen wou: "Ben ik voor u niet goed genoeg, geen nood". Hij hoort vroolijke kwinkslagen en vertrekt geen spier; ik vrees, dat, als hij oud wordt, hij de weenende philosoof zal wezen in eigen persoon, daar hij nu in zijn jeugd al zoo onhebbelijk somber is. Ik was liever getrouwd met een doodshoofd, zoo met twee gekruiste knoken er onder, dan met een van die beiden. God beware mij voor alle twee!
NERISSA. Wat zegt gij dan van den Franschen heer, Monsieur Le Bon?
PORTIA. God schiep hem, laat hem daarom voor een man doorgaan. Ik weet, dat het zonde is een spotter te zijn, maar hij! Hij heeft een paard, beter dan de Napolitaan, een beter slechte gewoonte van zuurkijken dan de paltsgraaf; hij is iedereen en niemand; als een lijster zingt, begint hij dadelijk kapriolen te maken; hij zou kunnen vechten met zijn eigen schaduw. Als ik hèm nam, nam ik vijftig mannen te gelijk. Als hij mij versmaadde, zou ik het hem vergeven; want al had hij mij lief tot razend wordens toe, ik zou niets van hem willen weten.
NERISSA. Wat hebt ge dan te zeggen tegen Faulconbridge, den jongen Engelschen baron?
PORTIA. Ge weet, ik zeg niets tegen hem, want hij verstaat mij niet en ik hem ook niet; hij kent geen Latijn of Fransch noch Italiaansch, en wat mijn Engelsch betreft, gij kunt gerust voor het gerecht een eed gaan doen, dat het geen armzaligen duit waard is. Hij is het afbeeldsel van een knap man, maar, ik bid u, wie kan omgaan met een stom beeld? En hoe bespottelijk kleedt hij zich! Ik geloof, dat hij zijn kamizool in Italië, zijn pof broek in Frankrijk, zijn muts in Duitschland en zijn manieren overal heeft opgedaan.
NERISSA. Wat denkt ge van zijn buurman, den Schotschen lord?
PORTIA. Dat hij wezenlijk wel christelijke liefde tot zijn naaste bezit, want hij borgde laatst een oorveeg van den Engelschman, en zwoer, dat hij hem dien terug zou betalen, zoodra hij in de gelegenheid zou wezen; ik denk, dat de Franschman zijn borg werd en voor den ander onderteekende.
NERISSA. Hoe bevalt u de jonge Duitscher, de neef van den hertog van Saksen?
PORTIA. Afschuwelijk in den morgen, als hij nuchter is, en allerafschuwelijkst in den middag, als hij beschonken is; als hij op zijn best is, is hij toch nog altijd iets minder dan een mensch, en als hij op zijn slechtst is, is hij nauwlijks meer dan een dier; als het ergste mocht gebeuren, dat gebeuren kan, hoop ik toch, dat ik wel een uitvlucht zal vinden om hem vrij te loopen.
NERISSA. Als hij zich mocht aanmelden om te kiezen en het rechte kastje koos, dan zoudt ge toch weigeren uws vaders uitersten wil te volbrengen, als gij weigerdet hem te nemen.
PORTIA. Daarom bid ik u, om het ergste te voorkomen, zet een flinken roemer Rijnwijn op het verkeerde kastje; want als de duivel er in was en deze verzoeking van buiten er bij, dan weet ik, dat hij het zou kiezen. Alles liever, Nerissa, dan met een spons te moeten trouwen.
NERISSA. Gij behoeft niet beducht te wezen, mejonkvrouw, dat gij een van deze heeren zult krijgen, want zij hebben mij hun besluit meegedeeld, en dat is, waarlijk, naar huis te gaan en u niet verder met hun aanzoek lastig te vallen, tenzij gij op een andere wijze te winnen waart, dan door de bepaling van uw vader, ten opzichte van de kastjes.
PORTIA. Al word ik zoo oud als Sibylla, wil ik toch zoo kuisch als Diana sterven, tenzij ik gewonnen word op de wijze van mijns vaders uitersten wil. Ik ben blij, dat dit partijtje vrijers zoo verstandig is, want er is er niet één bij of ik smacht naar zijn afzijn, en ik bid God, hun een voorspoedige heenreis te verleenen.
NERISSA. Herinnert gij u niet, mejonkvrouw, uit den tijd dat uw vader nog leefde, een Venetiaan, die man van studie en krijgsman te gelijk was, en die hierheen kwam als metgezel van den markies van Montferrat?
PORTIA. Ja, ja; het was Bassanio;--ik geloof ten minste, dat hij zoo heette.
NERISSA. Juist, mejonkvrouw. Van alle mannen, die mijn dwaze oogen ooit gezien hebben, was hij wel het meest een schoone vrouw waard.
PORTIA. Hij staat mij nog goed voor, en naar mijn herinnering is uw lof niet onverdiend.--Wel, wat is er?
(Een Bediende, komt op.)
BEDIENDE. Mejonkvrouw, de vreemde heeren vragen naar u om afscheid te nemen; en zoo even komt daar een voorrijder van een nieuwen, den prins van Marocco, die het bericht brengt, dat de prins, zijn meester, nog van avond hier zal zijn.
PORTIA. Als ik dien nieuwen zoo van ganscher harte welkom kon heeten, als ik de anderen vaarwel zeg, zou ik verheugd wezen over zijn aankomst, als hij het binnenste heeft van een heilige en de huidkleur van een duivel,
Dan groette ik liever hem als boetgezant,
Dan dat ik hem mijn hand verpand.
Kom, Nerissa.--Knaap, ga voor, maak voort.--
Gaat één vrijer uit de poort, Dan wordt weer de stap van een ander, die nadert, gehoord.
(Allen af.)
DERDE TOONEEL.
Venetië. Een plein.
Bassanio en Shylock komen op.
SHYLOCK. Drieduizend dukaten,--goed!
BASSANIO. Voor drie maanden, Shylock.
SHYLOCK. Voor drie maanden--goed!
BASSANIO. En, zooals ik zeide, Antonio zal er borg voor zijn.
SHYLOCK. Antonio zal er borg voor zijn,--goed!
BASSANIO. Kunt gij mij helpen? Wilt ge mij het genoegen doen? Mag ik uw antwoord weten?
SHYLOCK. Drieduizend dukaten, voor drie maanden, en Antonio borg.
BASSANIO. En uw antwoord--?
SHYLOCK. Antonio is een goed man.
BASSANIO. Hebt gij ooit eenigszins het tegendeel van hem gehoord?
SHYLOCK. O, neen, neen, neen, neen;--maar ik meende, toen ik zeide, dat hij een goed man is, zooals ge wel begrijpt, dat hij er goed voor is,--hoewel van zijn goed kan men eigenlijk maar bij onderstelling spreken; hij heeft een galjoen op weg naar Tripoli, een ander naar Indië, en hij heeft, zooals ik op den Rialto vernam, een derde naar Mexico, een vierde naar Engeland--en hij heeft nog meer varende have,--overal verspreid. Maar schepen zijn maar planken en matrozen zijn maar menschen, en er zijn landratten en waterratten, landdieven en waterdieven, ik bedoel zeeroovers; en dan heb je nog het gevaar van water en wind en klippen; maar toch, de man is er wel goed voor; drieduizend dukaten;--mij dunkt, ik zou zijn borgtocht wel kunnen aannemen.
BASSANIO. Daar kunt ge zeker van zijn.
SHYLOCK. Ik wil er zeker van zijn; en om er zeker van te zijn, wil ik er mij op bedenken;--zou ik Antonio eens kunnen spreken?
BASSANIO. Als ge lust hebt, met ons te eten,--
SHYLOCK. Nah, om varkensvleesch te ruiken, om te eten van de woning, waar uw profeet, de Nazarener, den duivel in verbannen heeft? ik wil met u handelen en wandelen, gaan en staan, koopen en verkoopen, en zoo voort; maar ik wil niet eten met u, niet drinken met u, niet bidden met u. Wat nieuws is er op den Rialto?--Wie komt daar aan?
BASSANIO. Het is signore Antonio.
(Antonio komt op.)
SHYLOCK (ter zijde). Hoe lijkt hij een deemoedig tollenaar! Ik haat hem reeds, dewijl hij Christen is, En meer nog, wijl, in lage onnoozelheid, Hij gratis geld leent en de rente drukt, Die we anders in Venetië konden maken. Gelukt het me eens, hem bij de heup te pakken, Dan vier ik de' ouden wrok, dien 'k heb, toch bot; Hij haat ons heilig volk, en vloekt, juist daar, Waar alle kooplui plegen saam te komen, Op mij, mijn zaken en mijn eerlijk winstje; Dat noemt hij woeker. Zij mijn stam vervloekt, Als ik 't vergeef!
BASSANIO. Hé, Shylock, wilt gij hooren?
SHYLOCK. Ik rekende uit, hoeveel ik wel in kas heb; Zoo ver ik uit het hoofd het ramen kan, Kan ik die volle somma van drieduizend Dukaten zelf niet leev'ren. Maar wat doet dit? Tubal, een rijk Hebreër van mijn stam, Zal mij wel helpen.--Maar voor hoeveel maanden Verlangt gij 't geld?--(Tot Antonio.) Signore, welkom hier; Wij spraken juist daar van uw edelheid.
ANTONIO. Shylock, hoewel ik, als ik gelden voorschiet Of opneem, nimmer winsten neem noch geef, Wil ik, om thans mijn vriend in nood te helpen, Met die gewoonte breken.--(Tot Bassanio.) Weet hij reeds, Hoeveel gij wenscht?
SHYLOCK. Drieduizend, ja, dukaten.
ANTONIO. En voor drie maanden.
SHYLOCK. O, dat vergat ik,--voor drie maanden, ja. En gij zijt borg, ja goed,--maar hoorde ik wel Gij neemt of geeft geen intrest, als ge gelden Voorschiet of opneemt, zegt ge?
ANTONIO. 'k Doe het nooit.
SHYLOCK. Toen Jakob nog de schapen Labans weidde,--
Hij was van onzen vader Abram af
(Door 't schrander overleg van zijne moeder)
De derde patriarch,--jawel, de derde,--
ANTONIO. Wat wilt ge zeggen? leende hij op intrest?
SHYLOCK. Neen, neen; hij nam geen interest, niet wat gij
Zoo intrest noemt; merk op, wat Jakob deed.
Toen tusschen hem en Laban de afspraak was,
Dat al 't geplekte en zwarte van de lamm'ren
Als Jakobs loon zou gelden, en de herfsttijd
Weer de ooien met de rammen samenbracht
En 't wolvee welig aan het paren ging,
Toen nam de ervaren herder popelroeden
En schilde ze met strepen en hij lei ze,
Wanneer de dieren paarden, op de drinkplaats,
Voor de oogen van de ritsige ooien neer,
Die, zoo ontvangend, in den lammertijd
Geplekte jongen wierpen, Jakobs deel.
Zoo nam hij toe in welstand, werd gezegend;
Want winst is zegen, als men 't maar niet steelt.
ANTONIO. Dan diende Jakob, man, op goed geluk; Het stond niet in zijn macht dit te bewerken; Des hemels hand bestuurde en schikte 't zoo. Meldt dit de schrift om woeker te rechtvaardigen, Of is uw goud en zilver, ooi en ram?
SHYLOCK. 'k Weet niet, ik laat het even snel vermeerdren;-- Maar hoor, Signore.
ANTONIO. Merk dit op, Bassanio; De duivel zelf beroept zich op de schrift. Een boos gemoed, dat heil'ge woorden spreekt, Is als een fielt met liefelijken lach; Een schijnschoone appel, maar in 't hart verrot; O, glanzend schoon is 't uiterlijk der valschheid!
SHYLOCK. Drieduizend--'t is een goede ronde som! Drie maand, een verreljaars, laat zien dat maakt--
ANTONIO. Nu, Shylock, kunnen we op u reeknen, zeg?
SHYLOCK. Signore Antonio, meermalen, vaak,
Hebt gij me op den Rialto doorgehaald
Ter zake van mijn leenen en mijn rente;
Ik zeide niets, maar trok de schouders op,
Want dulden is het erfdeel van ons volk.
Gij scholdt mij voor een onbekeerde, een bloedhond,
Gij spuwdet op mijn tabbaard--en dat alles,
Omdat ik weet te hand'len met wat mijn is.
Welnu, thans blijkt het, dat ge mij behoeft,
Zoo is 't; thans komt ge tot mij, en gij zegt:
"Shylock, wij wenschen geld"; en dat zegt gij,
Gij, die mijn baard bespuwdet, met den voet
Mij stiet, zooals ge een vreemden hond zoudt schoppen
Van uwen drempel, thans verlangt gij geld!
Wat moet ik tot u zeggen? moet ik zeggen:
"Heeft een hond geld? Is 't mooglijk, dat een bloedhond
Drieduizend stukken gouds u leent?" Of moet ik
Ten grond toe buigen, en gelijk een schuldnaar
Met fluisterstem, waar needrigheid in suist,
Dus spreken:
"Uw edelheid heeft Woensdag mij bespuwd,
Op dien dag weggeschopt, een ander maal
Mij hond genoemd; voor zooveel vriendelijkheid
Leen ik u zooveel geld?"
ANTONIO. Ik was in staat u weder zoo te noemen, U weer te spuwen, met den voet te stooten. Wilt gij dit geld ons leenen, leen het niet Als aan uw vrienden,--vriendschap zou geen vrucht Van dood metaal ooit eischen van zijn vriend,-- Maar leen 't veeleer uw vijand uit, want blijft Die in gebreke, des te scherper kunt gij Het uiterste eischen.
SHYLOCK. Zie toch, welk een drift! Ik wilde uw vriend zijn, vriendlijkheid u toonen, Den smaad vergeten, dien 'k verduren moest, Het noodige u verschaffen, en voor rente Geen duit zelfs eischen, maar gij hoort niet eens; Mijn aanbod is toch vriendlijk.
ANTONIO. 't Zou vriendlijk zijn.
SHYLOCK. Ik doe die vriendlijkheid.--
Ga mee naar den notaris, teeken daar
Uw schuldbrief op uw naam; uit louter scherts,
Opdat gij ziet, dat ik geen winst verlang,
Als gij mij niet op den bepaalden dag,
En daar of daar, die som of die, zooals
Uw schuldbekentnis luiden zal, betaalt,
Zij deze boete vastgesteld, dat ik
Een zuiver pond mag snijden van uw vleesch,
Uit welk deel van uw lichaam ik verkies.
ANTONIO. Het zij zoo; op mijn woord; ik teeken 't stuk, En zeg: ook bij een jood is vriendlijkheid.
BASSANIO. Neen, teeken zulk een borgtocht niet voor mij; Veel liever blijf ik nog in mijn ellend'.
ANTONIO. Kom, vriend, geen angst; want ik betaal op tijd. In minder dan twee maanden, dus een maand Vóór ik 't behoef, verwacht ik schepen binnen, In waarde tien-, ja, twintigmaal deez' som.
SHYLOCK. O vader Abram! hoe de christnen toch, Omdat zij zelf hardvochtig zijn, van andren Hetzelfde denken!--'k Bid u, zeg, zou mij, Als hij eens in gebreke bleef, het innen Der afgesproken boete voordeel zijn? Een pondje menschenvleesch, gesneden van Een man, is niet zoo goed, niet te verhandlen Als vleesch van rund of schaap. Ik zeide, ik wensch Zijn gunst, en bied mijn diensten. Neemt hij Die aan, zeer gaarne; weigert hij, 't zij uit; Maar smaad mij niet, ik bid u, om mijn goedheid.
ANTONIO. Shylock, ik ben bereid het stuk te teek'nen.
SHYLOCK. Gij ziet mij daadlijk weer, bij den notaris; Geef gij hem op, wat hij te stellen heeft, Met onze scherts er bij; ik zorg voor 't geld En pak het in, en 'k moet ook naar mijn huis, Waarop een dienaar past, die niet te best Betrouwbaar is, maar spoedig ben ik bij u.
(Shylock af.)
ANTONIO. Zoo haast u, goede jood.--Zie, deez' Hebreër Wordt waarlijk nog een christen; hij wordt goed.
BASSANIO. 'k Vertrouw geen goedheid van een boos gemoed.
ANTONIO. Geen zorg; ik heb geen roekloosheid begaan; Mijn schepen zijn een maand vooruit wel aan.
(Beiden af.)
TWEEDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Belmont. Een vertrek in Portia's woning.
Trompetgeschal. De Prins van Marocco met zijn Stoet, Portia, Nerissa en anderen van haar Gevolg komen op.
MAROCCO. Versmaad mij om mijn kleur niet; 't is de donkre Livrei der helle zon, in wier nabijheid Ik ben geboren en mijn zetel heb. Maar koom' de blankste jongling van het noorden, Waar Febus' gloed de ijskegels nauwlijks smelt, En om uw min verwond' zich elk van ons, Tot proef, wiens bloed het roodst is, 't zijn of 't mijn. 'k Verklaar u, jonkvrouw, dit gelaat deed zelfs Den stoutste sidd'ren; 'k zweer u bij mijn min, Dat het de fierste maagden van het zuid Bekoren kon; en 'k ruilde niet mijn kleur, Dan om, mijn koningin, uw hart te stelen.
PORTIA. Mijn keuze, prins, wordt niet alleen geleid
Door wat een ijdel meisjeshart begeert;
De loterij, waaraan mijn toekomst hangt,
Ontneemt mij zelfs het recht van eigen keus;
Maar had mijn vader in zijn wijsheid mij
Niet zoo beperkt, en mij niet opgelegd
Slechts hem als echtgenoot te aanvaarden, die
Mij op de wijze wint, die ik u noemde,
Dan ware uw uitzicht, wijdvermaarde prins,
Wel even schoon als dat van eenig ander,
Die vóór u naar mij dong.
MAROCCO. Reeds hiervoor dank.
Ik bid u dus, geleid mij tot de kastjes,
Om mijn geluk te toetsen. Bij deez' kling,--
Die aan den Sophi, en een Perzisch prins,
Voor wien de Sultan Soliman driemaal
Het veld moest ruimen, 't leven nam,--ik zou
Den fiersten blik der aard nog overfonklen,
Het kloekste hart der aard nog overtrotsen,
Aan de berin haar zuiglingwelpen nemen,
Den leeuw beschimpen, brullende om een prooi,
Voor uw bezit, signora. Maar helaas!
Als Hercules en Lichas met den teerling
Uitmaken wie het dapperst is, dan doet
Wellicht de zwakste hand den hoogsten worp,
En moet Alcides voor zijn schildknaap wijken;
En zoo kan mij, als blind geluk beslist,
Ontgaan, wat aan een mindren man ten deel valt,
Zoodat ik sterf van smarte.
PORTIA. Zoo is 't lot!
Beslis dus, dat gij afziet van de keus,
Of zweer vooraf, dat, als gij aav'rechts kiest,
Gij u verbindt om nimmermeer een vrouw
Ten echt te vragen. Overweeg dus wel.
MAROCCO. Ik zweer het, nimmer! Kom, de keus gewaagd!
PORTIA. Neen, eerst uw eed voor 't altaar. Na den noen Beproeft ge uw lot.
MAROCCO. Gelukstèr, toon uw macht, Nu 't zaligst heil of diepste ellend' mij wacht!
(Trompetgeschal. Allen af.)
TWEEDE TOONEEL.
Venetië. Een straat.
Lancelot Gobbo komt op.
LANCELOT. Zeker, mijn geweten zal wel toegeven, dat ik van dezen jood, mijn meester, wegloop. De booze is mij op de hielen, en verzoekt mij, en zegt: "Gobbo, Lancelot Gobbo", of "goede Gobbo", of "goede Lancelot Gobbo, sta op, haal je beenen na je, loop weg". Mijn geweten zegt: "neen; pas op, brave Lancelot", of, zooals daareven, "brave Lancelot Gobbo, ga niet op den loop; stamp met je hielen, dat je den brui geeft van dat wegloopen". Goed, maar de verbenedijde booze drijft mij aan, mij weg te pakken, en zegt: "Loop" zegt de booze, "voort!" zegt de booze, "in 's hemels naam; heb een hart in 't lijf", zegt de booze, "en loop weg". Goed, maar mijn geweten werpt zich om den hals van mijn hart en zegt op wijzen toon tot mij: "mijn brave vriend Lancelot, gij zoon van een braaf man",--of liever van een brave vrouw, want, inderdaad, van mijn vader gesproken, daar was wel een luchtje aan, hij had zoo zekere neigingen, zoo wat smaak in--, nu, mijn geweten dan zegt: "Lancelot, blijf", "blijf niet" zegt de booze; "blijf", zegt mijn geweten. Geweten, zeg ik, uw raad is goed; Booze, zeg ik, uw raad is ook goed; als ik aan mijn geweten gehoor geef, zou ik blijven bij den jood, mijn meester, die (God straffe mij, als ik lieg!) een soort van duivel is: en als ik van den jood wegliep, zou ik aan den booze gehoor geven, die, met verlof gezegd, de Duivel zelf is. Want dit is zeker, dat de jood de gevleeschelijkte duivel is; en, op mijn geweten, mijn geweten is een hard soort van geweten, dat het mij wil aanraden bij den jood te blijven. De booze geeft mij den besten vriendenraad; ik wil op den loop gaan, Booze; mijn hielen zijn tot uw dienst; ik wil op den loop gaan.
(De oude Gobbo komt op, met een mand.)
GOBBO. Mosjeu, jonge heer, gij, wees zoo goed en zeg mij, wat is de weg naar mijnheer den jood zijn huis?
LANCELOT (ter zijde). Och hemel, daar is mijn echte vleeschelijke vader; hij heeft meer dan zand, hij heeft kiezel in zijn oogen en kent mij niet.--Ik wil toch eens wat excrementen met hem nemen.
GOBBO. Mosjeu, jonge heer, wees zoo goed en zeg me, wat is de weg naar mijnheer den jood zijn huis?
LANCELOT. Sla bij den eersten draai rechtsom, maar bij den allereersten draai linksom; maar onthoud, sla bij den allerallereersten draai noch rechts noch links om, maar sla dadelijk na een poos kaarsrecht af naar het huis van den jood.
GOBBO. Sapperment, dat zal een moeilijke weg wezen om te vinden. Kunt ge mij zeggen, of zekere Lancelot, die bij hem dient, bij hem dient of niet?
LANCELOT. Spreek je van den jongen mosjeu Lancelot?--(Ter zijde). Nu opgepast, nu leg ik hem het vuur aan de schenen.--Spreek je van den jongen mosjeu Lancelot?
GOBBO. Geen mosjeu, heer, maar de zoon van een armen drommel; zijn vader is, al zeg ik het zelf, een brave doodarme kerel, en, Gode zij dank, heel welvarend.
LANCELOT. Wel, laat zijn vader wezen wat hij wil, wij spreken nu van den jongen mosjeu Lancelot.
GOBBO. Uw gehoorzame dienaar, en Lancelot kortaf, heer.
LANCELOT. Maar ik bid je, ergo, oude man, ergo, verzoek ik je, spreek je van den jongen mosjeu Lancelot?
GOBBO. Uw edeles dienaar, en Lancelot, heer.
LANCELOT. Ergo, mosjeu Lancelot; spreek niet van mosjeu Lancelot, vadertje; want die jonge heer heeft, ten gevolge van de noodlotten en lotsbeschikkingen en zulke vreemde gezegdens meer, de drie schikgodinnen en verdere geleerdhedens, het tijdelijke met het eeuwige verwisseld, of, om het platweg uit te drukken, hij is ter--hemel gevaren.
GOBBO. Och, och, God beware! de jongen was zoowaar de staf van mijn ouderdom, mijn eenige steunpilaar.
LANCELOT (ter zijde). Zie ik er uit als een knuppel of een tentpaal, een staf of een pilaar?--Ken je mij niet, vader?
GOBBO. Ach hemel, ik ken u niet, jonge heer; maar ik bid u, zeg me, is mijn jongen, (God hebbe zijn ziel!) levend of dood?
LANCELOT. Ken je mij niet, vader?
GOBBO. Helaas, mijnheer, ik ben half blind, ik ken u niet.
LANCELOT. Neen, maar waarlijk, al hadt je je oogen, dan zou het nog wel kunnen gebeuren, dat je mij niet kende; 't is een wijs vader, die zijn eigen kind kent. Komaan, oude man, ik zal je van je zoon bericht geven. (Hij knielt.) Geef mij uw zegen! De waarheid komt altijd aan het licht; een moord kan niet lang verborgen blijven, wel de zoon van een vader; maar toch, ten langen leste, komt de waarheid uit.
GOBBO. Ik bid u, heer, sta op; ik weet zeker, dat gij Lancelot, mijn jongen, niet zijt.
LANCELOT. Kom, ik bid je, alle gekheid op een stokje, maar geef mij je zegen; ik ben Lancelot, je jongen die was, je zoon die is, je kind dat wezen zal.
GOBBO. Ik kan niet gelooven, dat gij mijn zoon zijt.
LANCELOT. Dan weet ik ook niet, wat ik er van denken moet, maar ik ben Lancelot, bij den jood in dienst, en, dat weet ik zeker, Margriet, je vrouw, is mijn moeder.
GOBBO. Ja wezenlijk, ze heet Margriet; en ik wil er op zweren, als je Lancelot bent, dat je dan mijn eigen vleesch en bloed bent. Maar, bij God en al zijn heiligen, wat een baard heb je gekregen; je hebt meer haar gekregen aan je kin, dan Hans, mijn sleeppaard, aan zijn staart heeft.
LANCELOT. Dan lijkt het wel, dat Hans zijn staartharen achteruit groeien; toen ik hem het laatst gezien heb, had hij bepaald meer haren in zijn staart dan ik nu op mijn gezicht heb.
GOBBO. Heerejé, wat ben je veranderd! En kun je met je meester nog al overweg? Ik heb hem een present meegebracht. Hoe sta je tegenwoordig met elkaar?
LANCELOT. Zóó, zóó,--; maar voor mijn part, daar ik het er op gezet heb om van hem weg te loopen, zoo wil ik niet rusten, voor ik een heel eind achter de hielen heb. Mijn meester is een echte jood; hem een present brengen! geef hem een strop. Ik ben in zijn dienst verhongerd; je kunt iederen vinger, dien ik heb, met mijn ribben tellen. Vader, ik ben blij, dat je gekomen bent; maar geef je present aan zekeren heer Bassanio, die wezenlijk prachtige nieuwe livreien geeft; als ik niet bij hem terecht kan komen, wil ik loopen, zoo ver Gods aardbodem reikt.--O, wat een tref, wat een geluk! daar komt hij aan;--naar hem toe, vader; want ik ben een jood, als ik nog langer bij den jood blijf.
(Bassanio komt op, met Leonardo en andere Bedienden.)
BASSANIO. Zoo kun je het wel doen;--maar je moet er zoo veel spoed achter zetten, dat het avondmaal op zijn laatst tegen vijf uur gereed is. Bezorg deze brieven; maak dat de livreien in orde komen en verzoek Gratiano dadelijk bij mij te komen in mijn huis.
(Een Bediende gaat heen.)
LANCELOT. Nu naar hem toe, vader.
GOBBO. God zegene uwe edelheid.
BASSANIO. Dank je zeer; wou je iets van mij hebben?
GOBBO. Hier is mijn zoon, heer, een arme jongen.
LANCELOT. Niet een arme jongen, heer, maar de knecht van den rijken jood; en die graag, heer, zooals mijn vader zal spezivizeeren--
GOBBO. Hij heeft een groote infectie, heer, om zoo te zeggen, om bij u--
LANCELOT. Inderdaad, heer, het kort en het lang van de zaak is, dat ik bij den jood in dienst ben, en declinatie heb, zooals mijn vader zal spezivizeeren--
GOBBO. Zijn meester en hij, met verlof van uw edelheid, leven zoo wat als kat en hond,--
LANCELOT. Om kort te gaan, de zuivere waarheid is, heer, dat de jood mij verongelijkt heeft, en dat maakt, zooals mijn vader, die naar ik hoop een oud man is, u fructivizeeren zal--
GOBBO. Ik heb hier een duivenschoteltje, dat ik aan uw edelheid wensch te vereeren, en mijn verzoek is,--
LANCELOT. Om zoo kort mogelijk te zijn, het verzoek interruppeert mijzelf, zooals uw edelheid hooren zal van dezen braven ouden man, die, al zeg ik het zelf, schoon een oud man, toch een arm man en mijn vader is.
BASSANIO. Niet beiden te gelijk;--wat wil je? spreek!
LANCELOT. Bij u in dienst komen, heer.
GOBBO. Ja, dat is het, dat wij u willen opponeeren, heer.
BASSANIO. Ik ken u wel; 't verzoek is toegestaan;
Shylock, uw heer, beval vandaag u aan
Voor deez' bevordring, zoo 't bevordring is,
Uit zulk een dienst als van een rijken jood,
Te komen bij een armen edelman.
LANCELOT. Het oude gezegde, heer, is zeer goed verdeeld tusschen mijn meester Shylock en u; gij hebt de genade Gods, heer, en hij heeft vele goederen.
BASSANIO (tot Lancelot). Zeer juist. (Tot Gobbo.) Ga heen nu, vader met uw zoon,-- Neem afscheid van uw vroeg'ren heer en kom Dan aan mijn huis.--(Tot zijn Bedienden.) Bezorgt hem een livrei, Wat meer bestrikt dan de andre; let daarop.
LANCELOT. Kom, vader.--Neen, ik kan geen dienst krijgen; wel neen, ik heb mijn tongetje niet tot mijn dienst.--Nu, (Hij bekijkt de binnenvlakte van zijn hand.) als er in Italië iemand zoo'n mooie handpalm heeft om op de schrift te zweren! of ik ook geluk zal hebben!--Kijk eens, welk een onnoozel levenslijntje; 't is me daar een kleinigheidje vrouwen; acht, tien, vijftien vrouwen is nog niets: elf weduwen en negen jonge dochters is wel een onnoozel inkomen voor één man; en dan, driemaal bijna te verdrinken, en mijn leven haast te verliezen aan den rand van een veerenbed;--dat noem ik er genadig afkomen! Ik moet zeggen, als Fortuin een vrouw is, dan is zij in dàt opzicht een goeie meid.--Kom, vader; ik zal in een ommezientje klaar wezen met dat afscheidnemen van den jood.
(Lancelot en de oude Gobbo af.)
BASSANIO. Ik bid u, Leonardo, denk hieraan;
En kom, is dit gekocht en alles klaar,
Terstond terug, want al mijn goede vrienden
Onthaal ik dezen avond. Haast u, ga.
LEONARDO. Ik doe mijn best; gij zult tevreden zijn.
(Gratiano komt op.)
GRATIANO. Waar is uw meester?
LEONARDO. Heer, daar gaat hij juist.
(Leonardo af.)
GRATIANO. Signor Bassanio!--
BASSANIO. Gratiano!
GRATIANO. Ik wensch een gunst van u!
BASSANIO. Ze is toegestaan.
GRATIANO. Ja, toestaan moet ge; ik moet met u naar Belmont.
BASSANIO. Wat moet, dat moet; maar hoor dan toch, Gratiano,
Gij zijt te wild, te ruw, te luid van stem;
't Gaat u goed af, en is volstrekt geen fout
In oogen zooals de onze; maar het wordt,
Waar men u zoo niet kent, al licht te vrij,
Te dol gevonden;--temper, zoo gij kunt,
Met enkle koude drupp'len stemmigheid
Uw dart'len geest; opdat ik, door uw woestheid,
Niet word' miskend, en wat ik wensch en hoop
Niet derven moog'.
GRATIANO. Gerust maar, vriend Bassanio;
Hul ik mij niet in stemmige eerbaarheid,
Praat ik niet deftig, vloek slechts nu en dan,
En is mijn blik niet zedig, draag ik niet
Een kerkboek in mijn zak, en houd ik niet
Mijn hoed voor de oogen bij 't gebed, en zucht
Ik niet, en zeg ik niet ootmoedig "amen",
Neem ik naar eisch niet iedren vorm in acht,
Als een, die om de gunst van grootmama
Een uitgestreken facie toont, geloof mij
Dan in 't vervolg nooit meer.
BASSANIO. Wij zullen zien, Hoe gij u houden zult.
GRATIANO. Maar, vriendlief, hoor, Deze avond geldt nog niet, gij moogt mij niet Verkett'ren om van avond.
BASSANIO. Zeker niet,
Dat zou wel jammer zijn, ik zou u eer
Verzoeken uitgelaten dol te wezen,
Want onze vrienden willen vroolijkheid.
Doch nu vaarwel; ik heb nog wat te doen.
GRATIANO. En ik moet naar Lorenzo en de vrienden, Maar kom met hen van avond goed op tijd.
DERDE TOONEEL.
Aldaar. Een kamer in Shylock's huis.
Jessica en Lancelot komen op.
JESSICA. Het spijt me, dat ge ons huis verlaten gaat; Het is een hel, en gij, een snaaksche duivel, Hebt soms de slepende uren mij verkort. Maar 't ga u goed; neem deez' dukaat van mij; En, Lanc'lot, hoor; straks ziet ge op 't avondfeest Als gast van uwen nieuwen heer, Lorenzo; Geef hem deez' brief, maar doe het in 't geheim; En nu vaarwel; ik wil niet, dat mijn vader Ons samen spreken ziet.
LANCELOT. Atjé!--tranen verlangen mijn tong.--Gij allerliefst heidinneke, allerzoetst Jodinneke! Als een Christen niet voor schelm heeft gespeeld en uw hart gestolen, dan weet ik er niets meer van. Maar atjé, deze bespottelijke druppels verdrinken mijn manlijkheid te veel; atjé.
(Lancelot af.)
JESSICA. Vaarwel, vriend Lancelot.-- Ach, hoe afschuw'lijk is het toch in mij, Dat ik mij schaam mijns vaders kind te zijn! Maar ben ik ook zijn dochter naar den bloede, Ik ben 't niet naar den geest.--O, mijn Lorenzo, Geen strijd meer, neen; ik word, blijft gij mij trouw, Christinne, en met een hart vol liefde uw vrouw.
(Jessica af.)
VIERDE TOONEEL.
Aldaar. Een straat.
Gratiano, Lorenzo, Salarino en Solanio komen op.
LORENZO. Hoort toe, wij sluipen weg van 't avondmaal,
Vermommen ons bij mij aan huis en zijn
Dan allen in een uur terug.
GRATIANO. Wij zijn op zulk een feest niet voorbereid.
SALARINO. Voor fakkeldragers is niet eens gezorgd.
SOLANIO. 't Moet puik in orde zijn, of 't is niets waard; En dan zij 't, dunkt mij, liever niet begonnen.
LORENZO. Het is nog pas vier uur; wij hebben dus Nog twee uur vóór ons.
(Lancelot komt op, met een brief.)
Lanc'lot, zoo! wat nieuws?
LANCELOT. Als uwe edelheid dezen brief gelieft te openen, zal het schijnen te verduidelijken.
LORENZO. Ik ken de hand; ja, 't is een schoone hand, En blanker dan 't papier, waarop zij schreef, De schoone hand, die schreef.
GRATIANO. Een minnebriefje!
LANCELOT (wil weggaan). Met uw verlof, heer.
LORENZO. Zeg, waar moet gij heen?
LANCELOT. Och heer, ik moet mijn ouden meester den Jood gaan intiveeren om bij mijn nieuwen meester den Christen van avond het nachtmaal te komen gebruiken.
LORENZO. Ziedaar, (Hij geeft hem geld.)--en zeg de schoone Jessica, Dat ze op mij reek'nen kan;--zeg 't heimlijk; ga.--
(Lancelot af.)
Mijn heeren,
Maakt ge alles nu voor 't maskerfeest gereed?
Ik heb al iemand, die mijn fakkel draagt.
SALARINO. Goed, op mijn woord, ik maak het daad'lijk klaar.
SOLANIO. Ik ook.
LORENZO. En komt dan, na een uur zoo wat, Aan Gratiano's huis; daar vindt ge ons tweeën.
SALARINO. 't Is goed, wij zullen komen.
(Salarino en Solanio af.)
GRATIANO. Die brief was van de schoone Jessica?
LORENZO. U moet ik alles zeggen: zie, zij schreef, Hoe ik haar uit haars vaders huis moet schaken; Hoe ze is voorzien van goud en edelsteenen; Hoe ze in een page zich verkleeden zal. Komt ooit de jood, haar vader, in den hemel, Dan is 't ter wille van zijn dochter slechts; En waagt ooit rampspoed haren weg te kruisen, Dan is er niets, dat zulk een doen verschoont, Dan dat zij 't kind is van een valschen jood.-- Kom mede, en zie dit onderweg maar in; Mij draagt de schoone Jessica de fakkel.
(Beiden af.)
VIJFDE TOONEEL.
Aldaar. De straat voor Shylock's huis.
Shylock en Lancelot komen op.
SHYLOCK. Nu, gij zult zien, met eigen oogen zien, Hoe anders 't is bij Shylock en Bassanio;-- Hé, Jessica!--voorwaar, gij zult bij hem Niet slapen, snorken, telkens kleeren scheuren!-- Hé, Jessica, nog eens!
LANCELOT. Hé, Jessica!
SHYLOCK. Wie zeide u haar te roepen? 'k zei 't u niet.
LANCELOT. Uwe edelheid heeft mij vroeger altijd gezeid, dat ik nooit iets kan doen, of het moest mij gezeid worden.
JESSICA. Wat is 't? Gij hebt geroepen?
(Jessica komt op.)
SHYLOCK. 'k Ben uitgevraagd ten eten, Jessica; Daar zijn mijn sleutels.--Maar waarom zou 'k gaan? Men vraagt mij niet als vriend, maar om te vleien; Maar ik, ik ga uit haat, en help den christen Zijn goed verspillen.--Jessica, mijn kind, Pas op mijn huis;--ik ga met tegenzin; Er broeit iets, vrees ik, dat mijn rust verstoort; Ik heb van nacht van zakken gouds gedroomd.
LANCELOT. Ik bid u, heer, kom; mijn jonge meester wacht op uw bezoeking.
SHYLOCK. Die zal wel gebeuren.
LANCELOT. En ze hebben saamgezworen,--ik wil niet zeggen, dat gij een maskerade zult zien, maar als gij er een ziet, dan was het niet voor niets, dat mijn neus begon te bloeden op den laatsten Paaschmaandag 's morgens om zes uur, die dat jaar viel op Asschenwoensdag voor vier jaren in den namiddag.
SHYLOCK. Wat, zijn daar maskers? Hoor mij, Jessica! Sluit dan de deur, en als gij tromm'len hoort En dat gegil van kromgenekte fluiten, Klim dan niet tot het venster op en steek Uw hoofd niet op de straat, en kijk niet uit Naar dat geverfd gelaat van christenzotten; Maar stop dan de ooren van mijn woning,--'k meen Mijn vensters,--dicht, opdat mijn eerbaar huis 't Geraas dier flauwe zotternij niet hoore.-- Ik zweer bij Jacobs staf, ik heb geen zin Om buitenshuis van avond feest te vieren; Toch wil ik gaan.--Gij knaap, ga voor mij uit; Zeg, dat ik kom.
LANCELOT. Ik zal vooruitgaan, heer.--
(Fluisterend tot Jessica.) Maar kijk, meestres, alevel 't venster uit;
Dra passeert een christen goed,
Waard, dat een jodin hem groet.
(Lancelot af.)
SHYLOCK. Wat zeide daar die gek, die zone Hagars?
JESSICA. Hij zeide mij vaarwel en anders niet.
SHYLOCK. De dwaas is goedig, maar een wolf in 't eten;
Bij 't werk een slak, in 't slapen overdag
Een wilde kat; ik wil geen hommels houden;
En daarom ga hij heen, en ga hij heen
Naar iemand, wien hij den geborgden buidel
Moog' helpen leêgen.--Jessica, naar binnen;
Misschien kom ik zoo daad'lijk wel terug;
Doe wat ik zeide en sluit de deuren goed;
"Een dichte kast, weert meen'gen gast;"
Zoo spreekt een elk, die op zijn zaken past.
(Shylock af.)
JESSICA. Vaarwel;--en als Fortuin mij niet bestrijdt, Ben ik een vader, gij een dochter kwijt.
(Jessica af.)
ZESDE TOONEEL.
Aldaar.
Gratiano en Salarino komen op, gemaskerd.
GRATIANO. Dit is het afdak, waar Lorenzo ons
Verzocht te wachten.
SALARINO. 't Uur is haast voorbij.
GRATIANO. En 't is een wonder, dat hij 't uur verzuimt; Verliefden zijn meestal de klok vooruit.
SALARINO. O, tienmaal sneller vliegen Venus' duiven
Om nieuwe liefdebanden te bezeeg'len,
Dan om gezworen trouw gestand te doen.
GRATIANO. Ja, dat gaat door: wie staat ooit van een feest Met zooveel eetlust op, als hij ging zitten? Waar is het paard, dat op zijn lange baan Terugdraaft met hetzelfde ondoofbre vuur, Waarmee het steig'rend wegstoof? Ieder ding Wordt met meer vuur begeerd dan wel genoten. Ziet, hoe, gelijk een jong en kwistig zwakhoofd, Het nieuwe jacht daar zee kiest, vlag in top, Door dartel windgestreel gekust, geliefkoosd! Hoe keert het weer als de verloren zoon, De spanten bloot en met gescheurde zeilen, Verarmd en naakt door 't dartel windgestreel!
(Lorenzo komt op.)
SALARINO. Daar komt Lorenzo;--later dus 't vervolg.
LORENZO. Verschoont mij, lieve vrienden, dat ik toefde; 'k Had veel te doen; dat draag' de schuld, niet ik. Maar is 't ùw beurt eens om een vrouw te stelen, Dan wacht ik even lang op u.--Komt hier; Hier woont mijn jodenvader.--Wie is thuis?
(Jessica verschijnt aan 't venster, in jongensgewaad.)
JESSICA. Wie is daar? Zeg 't voor alle zekerheid, Hoewel ik zweren zou de stem te kennen.
LORENZO. Lorenzo, en uw liefste.
JESSICA. Lorenzo, zeker; en mijn liefste, ja; Want wien heb ik zoo lief? Maar wie, Lorenzo, Staat voor u in, dat ik u 't liefste ben?
LORENZO. De hemel en uw hart zijn mijn getuigen.
JESSICA. Hier, vang dit mandje; 't is de moeite waard.
Goed, dat het nacht is, en ge mij niet ziet;
Want ik ben erg beschaamd in deez' verkleeding;
Maar liefde is blind; verliefden kunnen niet
De vreemde streken zien, die zij bedrijven;
Maar konden zij 't, Cupido zelf zou blozen,
Als hij mij zoo als jongen zag verkleed.
LORENZO. Kom af, gij moet mijn fakkeldrager zijn.
JESSICA. Wat! moet ik 't licht doen vallen op mijn schande? Die is, voorwaar, van zelf reeds veel te licht. Dit is een post, mijn lief, die openbaart, En 'k moet verborgen zijn.
LORENZO. Dat blijft gij, liefste, Als u 't bevallig pagekleed omhult. Maar haast u thans; Of de ons bevriende nacht gaat vluchtling spelen, En men verwacht ons bij Bassanio's feest.
JESSICA. Ik ga de kasten sluiten en verguld mij Met meer dukaten nog, en kom dan fluks.
(Zij gaat weg van 't venster.)
GRATIANO. Ze is, bij mijn kap, Godinne, geen Jodinne.
LORENZO. God straff' me, zoo 'k haar niet oprecht bemin; Verstandig is ze, als ik er iets van weet; En schoon is ze, als mijn oog mij niet bedriegt; En trouw is ze ook, dat heeft ze reeds getoond. En, zooals ze is, verstandig, schoon en trouw, Wordt zij mijn teêr en trouw beminde vrouw.
(Jessica komt op, beneden.)
LORENZO. Zoo, zijt ge er reeds?--Dan, heeren, voort, met spoed; Ginds wacht ons al sinds lang de maskerstoet.
(Hij gaat heen, met Jessica en Salarino.)
(Antonio komt op.)
ANTONIO. Wie daar?
GRATIANO. Signore Antonio?
ANTONIO. Gratiano, foei! En waar zijn nu al de andren?
't Is negen uur; de vrienden wachten u.--
Geen maskerade thans; de wind is om;
Bassanio wil op 't oogenblik aan boord;
Ik zond wel twintig man om u te zoeken.
GRATIANO. Zeer gaarne, ja; want niets staat meer mij aan, Dan nog van avond scheep en weg te gaan.
(Beiden af.)
ZEVENDE TOONEEL.
Belmont. Een zaal in Portia's huis.
Trompetgeschal. Portia en de Prins van Marocco komen op, beiden met Gevolg.
PORTIA. Goed, schuif den voorhang open en onthul
De kastjes alle voor deez' eed'len prins;--
(Tot den Prins.) Doe thans uw keus.
MAROCCO. Van goud het eerste, dat tot opschrift heeft: "Die mij verkiest, verkrijgt, wat menig man begeert". Van zilver 't tweede, dat ons dit belooft: "Die mij verkiest, erlangt zooveel als hij verdient". Dit derde, zwaar, van lood, met plomp vermaan: "Die mij verkiest, die wage en geve al wat hij heeft". Hoe weet ik nu, of ik het rechte kies?
PORTIA. Slechts één er van bevat mijn beelt'nis, prins; En kiest ge dat, dan ben ikzelf ook de uwe.
MAROCCO. Een God bestuur' mijn oordeel dan! Laat zien; Nog eens wil ik die spreuken overlezen. Wat zegt dit looden kastje? "Die mij verkiest, die geve en wage al wat hij heeft". Die geev'--voor wat? voor lood? hij waag' voor lood? 't Is taal, die dreigt. En zij, die alles wagen, Doen dit op hoop van kostelijk gewin; Een gouden geest bukt niet naar schuim van erts; En ìk geef niets en waag ook niets, voor lood. Wat zegt het zilver, met zijn maagdeglans? "Die mij verkiest, erlangt zooveel als hij verdient". Zooveel als hij verdient!--Denk na, Marocco, En weeg uw eigen waarde op de juiste hand; Waardeert men u, zooals ge uzelven schat, Genoeg is uw verdienste; schoon, genoeg Kan ontoereikend wezen voor de jonkvrouw. Doch, angst te koestren over mijn verdienste, Waar' zwak, onwaardig twijflen aan mijzelf. Zooveel als ik verdien!--Nu, 't is de jonkvrouw; 'k Verdien haar door geboorte en door mijn goed'ren, Door gaven der natuur en door beschaving, Maar bovenal verdien ik haar door liefde. Als ik niet verder ging, en dit verkoos?-- Maar toch, die spreuk van 't goud nog overwogen! "Die mij verkiest, verkrijgt, wat menig man begeert". Nu, dat 's de jonkvrouw; iedereen begeert haar, En iedre hoek der aard brengt pelgrims aan, Om 't sterflijk, aad'mend heiligbeeld te kussen. Hyrcanië's wouden, de onafzienbre vlakten Van 't woest Arabië zijn gebaande wegen Voor vorsten thans, tot schoone Portia; Het rijk der waatren, dat met fiere kruinen Den hemel in 't gelaat spuwt, keert ze niet, Die zoo vermeet'le vreemden; neen, ze komen, Als door een beek, tot schoone Portia.-- Eén van deez' drie omsluit haar hemelsch beeld. Is 't denkbaar, dat haar lood omsluit?--'t Waar' lastring, Zoo iets te denken; 't lood is te verachtlijk Om zelfs in 't donkre graf haar wâ te ompants'ren.-- Of is 't te denken, dat ze in zilver huist, Wel tienmaal minder waard dan 't loutre goud? O zondig denkbeeld! zulk een rijk juweel Wordt steeds in goud gevat. In Eng'land is Een munt, van goud, gestempeld met een engel, Maar daar is 't beeld eens engels bovenop; Hier ligt een engel, door een gulden bed Geheel omsloten.--Geef den sleutel mij; Dit is mijn keus; geluk, wees aan mijn zij!
PORTIA. Daar, neem hem, prins; en is mijn beeld hierin, Dan ben ik de uwe.
(Bij ontsluit het gouden kastje.)
MAROCCO. O, hel, wat vind ik hier?
Een grijnzend doodshoofd, en in de oogkas ligt
Een opgerold geschrift?--Ik wil het lezen.
"Al wat blinkt, is nog geen goud,
Wis is dit u vaak ontvouwd;
Menig heeft den schijn vertrouwd,
Maar te laat zijn doen berouwd.
Gulden graven zijn gebouwd,
Waar de worm toch huis in houdt.
Waart gij even wijs als stout,
Jong van leên, van oordeel oud,
't Afscheid hadt ge niet aanschouwd:
Al uw gloed laat Portia koud."
Koud voorwaar en moeite om niet;
Welkom, koude; en gloed, ontvlied!--
Leef, Portia, wel! Het vonnis doet mij pijn;
'k Verloor; zoo moog' dan kort het afscheid zijn!
(Marocco af, met zijn Gevolg.)
PORTIA. O heuglijk eind!--Trek weer den voorhang toe;-- Dat elk, die hem gelijkt, die keuze doe.
(Allen af.)
ACHTSTE TOONEEL.
Venetië. Een straat.
Salarino en Solanio komen op.
SALARINO. Ja, vriend, ik zag Bassanio onder zeil;
Gratiano heeft zich met hem ingescheept,
Maar zeker is Lorenzo niet op 't schip.
SOLANIO. De jood, die hondsvot, tierde, tot de doge Met hem Bassanio's schip ging onderzoeken.
SALARINO. Hij kwam te laat; het was reeds onder zeil.
Toen echter kwam den doge dra ter oore,
Dat men Lorenzo en zijn Jessica
Gezien had in een gondel; bovendien
Gaf ook Antonio de verzeek'ring, dat
Zij niet Bassanio op zijn schip verzelden.
SOLANIO. Nooit hoorde ik zulk een teugellooze woede, Zoo vreemd, zoo heftig, zoo van 't een op 't ander, Als van dien jood, dien hond, daar op de straat: "Mijn dochter!--Mijn dukaten!--O mijn dochter!-- En met een christen!--O, mijn christ'lijke dukaten!-- O recht en wet! mijn dochter! mijn dukaten! Eén zak, twee zak, verzegeld, vol dukaten! Dubb'le dukaten;--en mijn dochter stal ze! Juweelen ook, twee steenen, kostbre steenen! Mijn dochter stal ze!--Rakkers, zoekt die deern! Mijn steenen heeft ze bij zich, mijn dukaten!"
SALARINO. De straatjeugd van Venetië schreeuwt hem na:-- "Zijn steenen, zijn dukaten en zijn dochter!"
SOLANIO. Als nu Antonio maar op tijd betaalt, Want anders zal hij 't boeten.
SALARINO. Ja, zeer juist. 'k Was gistren met een Franschman aan het praten; Die zeide mij, dat in de nauwe zee, Die Frankrijk scheidt van Eng'land, er een schip Vergaan was, rijk bevracht, en hier van daan. 'k Dacht daad'lijk aan Antonio, toen hij 't zeide, En wenschte in stilte: "zij dat niet van hem!"
SOLANIO. Gij moet hem toch vertellen, wat ge hoort; Maar niet te plotsling, want het mocht hem leed doen.
SALARINO. Er is geen trouwer hart op aard; ik zag Bassanio's afscheid van Antonio. Bassanio zeide, dat hij spoed zou maken Om weêr te keeren; "Doe dat niet", was 't antwoord, "Verbroddel niet om mij uw zaak, Bassanio. Neen, laat de tijd haar rijpen. Wat den schuldbrief Betreft, dien ik den jood geteekend heb, Die rijz' niet voor uw geest naast uwe liefde; Wees opgeruimd en wijd al uw gedachten Aan hoflijkheid en de uiting uwer liefde, Aan al wat ginds u 't beste passen zal." Toen reikte hij,--zijn oog schoot vol van tranen,-- Met afgewend gelaat zijn vriend de hand, En schudde, met een wonderdiepe ontroering, Met kracht Bassanio's hand. Zoo scheidden zij.
SOLANIO. 'k Geloof, is hem de wereld nog iets waard,
Dan is 't om hem. Kom, zoeken wij hem op,
En zij door scherts of boert die somberheid,
Die hem beving, verjaagd.
SALARINO. Ja, doen wij dat!
(Beiden af.)
NEGENDE TOONEEL.
Belmont. Een zaal in Portia's woning.
Nerissa komt op, met een Bediende.
NERISSA. Kom, spoedig, spoedig, trek den voorhang weg;
De prins van Arragon heeft de' eed gedaan
En komt zoo daad'lijk zijn geluk beproeven.
(Trompetgeschal. De Prins van Arragon en Portia komen op, beiden met Gevolg.)
PORTIA. Gij ziet, daar staan de kastjes, edel prins; Verkiest gij dat, waarin mijn beeltnis is, Dan wordt terstond het huwlijksfeest gevierd; Maar faalt uw keuze, heer, dan moet gij ook Terstond en zonder tegenspraak vertrekken.
ARRAGON. Drie dingen zijn door de' eed mij opgelegd: Ten eerste, nimmer iemand te openbaren, Welk kastje ik koos; dan, mocht ik 't rechte kastje Niet treffen, nimmer in mijn leven meer De hand van een'ge vrouw te vragen; eind'lijk, Indien 't geluk me een juiste keus ontzegt, Hier niet te toeven maar terstond te gaan.
PORTIA. Hiertoe verplicht zich elk bij eede, die Voor mijn onwaardig ìk de kans komt wagen.
ARRAGON. Ik nam het op mij. Thans, Fortuin, vervul Mijn hartewensch!--Goud, zilver, waardloos lood! "Die mij verkiest, die geve en wage al wat hij heeft"; Glans vrij wat schooner, eer ik geef of waag!-- Wat zegt het gouden kastje? Laat eens zien:-- "Die mij verkiest, verkrijgt wat menig man begeert." Wat menig man begeert!--dit menig meent wellicht De dwaze menigt', die naar schijn slechts kiest, Niet meer ziet dan het ijdel oog kan leeren, Niet in het binnenst dringt, maar als de zwaluw Haar bouw bevestigt aan den buitenwand, Geheel aan storm en toeval prijsgegeven. Ik kies niet, neen, wat menig man begeert, Ik wil mij niet naar lage geesten schikken, Niet voegen bij den grooten dommen hoop. Dus thans tot u, gij zilvren schatbewaarder, Zeg mij het opschrift, dat gij draagt, nog eens: "Die mij verkiest, erlangt zooveel als hij verdient". Zeer goed gezegd: want wie durft stout Fortuin Verschalken, en zich eere stelen, waar Verdienstes stempel op ontbreekt! Dat niemand Een onverdiende waardigheid zich eigen'! O, werden goed'ren, rang en ambten nooit Op laak'bre wijs verworven; eere steeds Onwraakbaar, door verdienste alleen, gekocht! Hoe menig dekte zich, die blootshoofds staat; Hoe menig, die beveelt, wierd dan de dienaar! Wat laag gepeupel zou de wan niet schiften Uit wat het zaad der eere is; hoeveel tarwe Waar' niet te lezen uit het kaf der tijden, En weer tot eer te brengen!--Maar, de keuze:-- "Die mij verkiest, erlangt zooveel als hij verdient." Ik kies verdienste;--ontsluit mij dit, opdat Me onthuld zij, hoe 't geluk mij is gezind.
(Hij ontsluit het zilveren kastje.)
PORTIA. Te lang gedraald voor dat, wat gij daar vindt.
ARRAGON. Wat is dit hier? Het beeld eens zots, dat me aangrijnst, En een geschrift mij reikt? Ik wil het lezen. Hoe weinig zijt ge aan Portia gelijk! Hoe weinig aan mijn hoop en mijn verdiensten! "Die mij verkiest, verkrijgt zooveel als hij verdient." Verdien ik dan niets beters dan een zotskop? Is dat mijn loon? Is mijn verdienste zoo?
PORTIA. Misdoen en rechtspraak gaan niet samen; 't een Verschilt in aard van 't ander.