HENRY FIELDING.
TOM JONES,
OF
DE LOTGEVALLEN VAN EEN VONDELING.
UIT HET ENGELSCH VERTAALD
DOOR
DR. M. P. LINDO.
Eerste Deel.
HAARLEM,
A. C. KRUSEMAN.
1862.
TOM JONES,
DE GESCHIEDENIS VAN EEN VONDELING.
BOEK I.
Bevat zooveel van de geboorte van den vondeling als in het begin van deze geschiedenis noodzakelijk of betamelijk is aan den lezer mede te deelen.
HOOFDSTUK I.
INLEIDING, OF MENU VAN HET FEEST.
Een schrijver mag zich volstrekt niet beschouwen als iemand, die een huisselijk feest geeft of zijne vrienden kosteloos onthaalt, maar veel eer als iemand, die open tafel houdt, waaraan iedereen, die zijn geld betaalt, het regt heeft aan te zitten. In het eerste geval, gelijk men weet, discht de gastheer op welken kost hij wil; en al zijn de schotels zeer middelmatig of zelfs volstrekt niet naar den zin der gasten, mogen zij er geene aanmerkingen op maken; ja zelfs eischt de beleefdheid, dat zij, schijnbaar, alles wat hun voorgezet wordt, goedkeuren en roemen. Het tegenovergestelde van dit alles heeft plaats bij den waard. Menschen die hetgeen zij gebruiken, betalen, staan er op dat het naar hun smaak zal zijn, hoe fijn of grillig die ook zij, en indien alles niet naar hun zin is, handhaven zij hun regt om vrijelijk hun middagmaal te vervloeken en te verwenschen.
Ten einde dus zijne klanten door geene dergelijke teleurstelling in het harnas te jagen, is de eerlijke, welmeenende waard gewoon eene lijst der spijzen op te hangen, welke alle menschen bij hunne intrede in de eetzaal lezen kunnen, waardoor zij, op de hoogte gebragt van hetgeen zij te wachten hebben, kunnen blijven, en gebruiken wat hun voorgezet wordt, of weggaan en eene andere tafel zoeken, welke meer naar hun smaak is.
Daar wij niet te trotsch zijn om te leeren van wien ook, die in staat is ons een verstandigen raad of een goed voorbeeld te geven, hebben wij ons verwaardigd den wenk te volgen van dezen eerlijken waard, en zullen niet slechts eene algemeene opgave doen van het geheele feest, maar ook uitvoerige spijskaarten aan den lezer voorleggen bij elk servies, dat in dit en de volgende boekdeelen hem voorgezet zal worden.
De voorraad waaruit wij hier putten zullen, is niets anders dan de menschelijke natuur. Ik vrees ook niet dat de verstandige lezer, hoe weelderig ook van aard, schrikken of knorren zal, of zich beleedigd gevoelen, omdat ik slechts één voorwerp genoemd heb. De schildpad, zoo als de Alderman van Bristol uit vele ondervinding van lekker eten weet, bevat, behalve het heerlijke vleesch en het groene vet, ook velerlei andere lekkere deelen, en de geleerde lezer zal evenmin vergeten dat de menschelijke natuur, hoewel hier onder één naam begrepen, zulk eene verbazende afwisseling oplevert, dat een kok eerder al de vleeschspijzen en groenten in de wereld zou kunnen doorloopen hebben, dan een schrijver in staat zou zijn zulk een uitgebreid onderwerp als het mijne uit te putten.
Men mag misschien van diegenen die zeer fijn van smaak zijn, het bezwaar verwachten, dat deze schotel te dagelijks en te algemeen is; want, levert juist niet dit onderwerp de hoofdbestanddeelen op voor alle romans, novellen, tooneelstukken en gedichten, waarmede de boekwinkels opgepropt zijn? Velerlei heerlijke geregten zouden door den lekkerbek verworpen worden, indien het in zijn oog genoegzaam was om ze gemeen en verachtelijk te vinden, dat iets van denzelfden naam in de ellendigste winkels te krijgen is! Inderdaad, echter, is het even moeijelijk de onvervalschte natuur in de boeken te vinden, als echte hammen uit Bayonne, óf echte Saucisse de Bologne in de winkels.
Maar, om het beeld vol te houden, alles hangt hier af van de kookkunst van den schrijver; want gelijk Pope opmerkt:
„Het geestige is natuur, bevallig opgesmukt, Wat vaak gedacht, maar nooit zoo goed werd uitgedrukt.”
Hetzelfde dier dat de eer geniet van voor een gedeelte bij een hertog op tafel te komen, wordt welligt, wat een ander deel van zijn ligchaam betreft, diep vernederd, daar sommige zijner ledematen, als het ware aan den galg gehangen worden van het gemeenste stalletje in de geheele stad. Waarin bestaat dan het onderscheid tusschen het voedsel van den edelman en dat van den kruijer, als beide van denzelfden os, of van het zelfde kalf eten, tenzij in de toebereiding, het koken, het opsieren en het opdisschen? Vandaar dat het ééne den flaauwsten eetlust aanzet, of prikkelt terwijl, het andere den scherpsten en felsten eetlust verzwakt en vernietigt.
Op dezelfde wijze bestaat de uitnemendheid van een geestelijk onthaal minder in de stof, dan in de behendigheid van den schrijver om ze netjes op te disschen. Zal dan de lezer niet verrukt zijn te ondervinden, dat wij in dit werk ons streng gehouden hebben aan een der eerste grondbeginselen van den besten kok, welken deze eeuw, of welligt zelfs die van Heliogabalus, voortgebragt heeft? Deze groote man, zooals ieder liefhebber van een fijnen schotel weet, begint met zijne hongerige gasten eerst de eenvoudigste spijzen voor te zetten, trapsgewijs opklimmende, naarmate hun eetlust schijnt te verminderen, tot de uitgezochtste saucen en lekkernijen. Op dezelfde wijze, zullen wij, in het begin, den geweldigen eetlust van den lezer zoeken te stillen met de menschelijke natuur, in de eenvoudige en onopgesierde gedaante, waarin die op het land gevonden wordt, en later zullen wij er ragouts en hachées van maken, gekruid met de meest pikante Fransche en Italiaansche gemaaktheid en ondeugden, welke het hof en de stad opleveren. Hierdoor twijfelen wij niet, dat de lezer begeerig gemaakt zal worden om tot in het oneindige door te lezen,—even als men van bovengemelden grooten kok vertelt, dat hij sommige menschen tot in het oneindige heeft doen eten.
Na dit vooraf gezegd te hebben, zullen wij diegenen, welke met ons menu tevreden zijn, niet langer van tafel ophouden en dadelijk er toe overgaan hen op het eerste geregt van ons gastmaal te onthalen.
HOOFDSTUK II.
EENE KORTE BESCHRIJVING VAN DEN HEER ALLWORTHY, EN EEN UITVOERIGER BERIGT OMTRENT MEJUFVROUW BRIGITTA ALLWORTHY, ZIJNE ZUSTER.
In dat gedeelte van de westelijke streken van dit rijk, dat gewoonlijk Somersetshire genoemd wordt, leefde onlangs (welligt leeft hij er nog) een heer, Allworthy geheeten, en die wel een gunsteling van de natuur en van het lot mogt genoemd worden, want beide schenen met elkaar gewedijverd te hebben om hem te zegenen en te verrijken. In dezen wedstrijd zal het welligt sommigen toeschijnen, dat de natuur de overwinning behaalde, daar zij hem vele gaven schonk, terwijl Fortuna hem slechts ééne geven kon; maar met deze gift was zij zoo mild te werk gegaan, dat anderen welligt oordeelen zullen, dat deze ééne gave meer dan opwoog tegen al de verschillende zegeningen, welke hij van Moeder Natuur genoot.
Van deze had hij namelijk ontvangen een bevallig uiterlijk, een gezond gestel, een degelijk verstand en een welwillend hart; door gene werd beschikt dat hem als erfdeel te beurt zou vallen een der grootste bezittingen in het graafschap.
Deze heer had in zijne jeugd eene zeer waardige en schoone vrouw gehuwd, van wie hij zeer veel gehouden had, en die hem drie kinderen geschonken had, welke echter alle in hunne teedere kindschheid stierven.
Hij had ook het ongeluk ondervonden van deze beminde vrouw zelve te moeten begraven, ongeveer vijf jaren vóór den tijd, waarop het mij behaagt dit verhaal te beginnen. Hoe groot echter dit verlies was, droeg hij het met verstand en moed, ofschoon ik bekennen moet, dat hij soms eenigzins wonderlijk er over praatte,—verklarende, dat hij zich nog als gehuwd beschouwde, terwijl zijne vrouw slechts wat vóór hem eene reis ondernomen had, waarop hij haar vroeger of later onfeilbaar zou volgen, en dat hij er niet in het minst aan twijfelde, dat hij haar dáár ontmoeten zou, waar zij nooit meer van elkaar zouden scheiden. Wegens deze gevoelens werd door sommige zijner buren zijn gezond verstand, door anderen zijne godsdienst, en weder door anderen zijne opregtheid in twijfel getrokken.
Hij leefde nu meestal in afzondering, buiten, met eene zuster, die hij teeder beminde. Deze dame was nu iets boven de dertig, een leeftijd, waarop (volgens het oordeel der kwaadaardigen), het volstrekt niet ongepast is den titel van oude vrijster aantenemen. Zij behoorde tot dat slag van vrouwen, die men eerder roemt om hare goede hoedanigheden, dan om hare schoonheid, en die gewoonlijk door haar eigen geslacht geheeten worden, „een heel best mensch,”—„een beter mensch, mevrouw, ken ik niet!” Inderdaad, zij was er zoo ver van af, het gemis van schoonheid te betreuren, dat zij dat voorregt (als het er een is!) nooit zonder minachting vermelden kon, terwijl zij dikwerf den Hemel dankte, dat zij niet zoo schoon was als mejufvrouw zus of zoo, die door hare schoonheid op een dwaalweg gebragt was, dien zij welligt anders vermeden zou hebben. Mejufvrouw Brigitta Allworthy (zoo heette deze dame), begreep zeer goed, dat een bekoorlijk uiterlijk bij eene vrouw niets meer is dan een strik voor zich zelve en anderen, en was toch zoo voorzigtig in haar gedrag, dat zij even waakzaam bleef alsof zij al de strikken te vreezen had, die ooit voor haar gansche geslacht gelegd werden. Inderdaad heb ik opgemerkt (hoe vreemd dit ook luide voor den lezer), dat deze soort van voorzigtigheid, even als de landstorm, het liefst de wacht betrekt waar het minste gevaar te duchten is. Dikwijls verlaat zij op eene schandelijke en lafhartige wijze die toonbeelden van vrouwen, om welke alle mannen zuchten, steunen en sterven, en voor wie zij alle mogelijke netten spreiden, terwijl zij getrouw die meer verhevene vrouwen op de hielen volgt, voor wie het sterkere geslacht het meeste ontzag en den diepsten eerbied koestert, en die men (waarschijnlijk wanhopende aan een goeden uitslag), het nooit waagt te vervolgen.
Lezer! Ik acht het geraden, eer wij zamen verder gaan, u te vertellen, dat ik in den loop van dit geheele verhaal, voornemens ben afwijkingen te maken, bij elke gelegenheid die ik vinden kan,—en die ik beter beoordeelen kan dan welke erbarmelijke criticus ook ter wereld. En nu verzoek ik ook al deze critici, zich met hunne eigene zaken te bemoeijen, en zich niet op te houden met zaken of met werken die hen volstrekt niet aangaan;—want zoolang zij in gebreke blijven de autoriteit te noemen waardoor, zij tot regters aangesteld zijn, zal ik weigeren, mij aan hunne uitspraak te onderwerpen.
HOOFDSTUK III.
OVER EENE VREEMDE GEBEURTENIS, WELKE DE HEER ALLWORTHY EENS BIJ ZIJNE TE HUISKOMST BELEEFDE. DE BETAMELIJKE HOUDING VAN JUFVROUW DEBORAH WILKINS, EN EENIGE ZEER GEPASTE AANMERKINGEN OVER ONECHTE KINDEREN.
Ik heb den lezer in het vorige hoofdstuk verteld dat de heer Allworthy een groot vermogen geërfd had, en dat hij een goed hart en geene kinderen bezat. Daaruit zal, zonder twijfel, menigeen opmaken, dat hij als een eerlijk man leefde, niemand een duit schuldig was, niets nam, dat hem niet toekwam, goed huis hield, zijne buren gastvrij onthaalde, en mild was voor de armen, dat is, voor diegenen, die liever bedelen dan werken, en dat hij hun den afval van zijne tafel gaf,—dat hij eindelijk onmetelijk rijk stierf en een gasthuis stichtte.
Het is ook waar dat hij vele dezer dingen deed; maar, als hij niets anders gedaan had, zou ik het aan hem zelven overgelaten hebben, om zijne verdiensten op te teekenen op den fraaijen steen boven den ingang van zijn eigen gasthuis. Zaken van veel meer buitengewonen aard zullen het onderwerp van dit verhaal uitmaken, of ik zou mijn tijd op eene grove wijze verbeuzelen met het schrijven van zulk een uitvoerig werk, en gij, mijn zeer verstandige vriend, zoudt met evenveel nut en genoegen eenige bladzijden kunnen doorsnuffelen, welke zekere komische schrijvers heel grappig „de Geschiedenis van Engeland” genoemd hebben.
De heer Allworthy was ruim drie maanden te Londen geweest, voor belangrijke zaken, die mij onbekend zijn; maar gij kunt nagaan hoe belangrijk ze waren, daar ze hem zoo lang van huis gehouden hadden, van waar hij in den loop van vele jaren nooit ééne maand achtereenvolgens afwezig was geweest. Hij kwam ’s avonds laat te huis, en na een ligt avondmaal met zijne zuster, ging hij, zeer vermoeid, naar zijne kamer. Na eenige minuten daar op de knieën doorgebragt te hebben, eene gewoonte, die hij nooit, om welke reden ook, verwaarloosde, maakte hij zich juist gereed om in bed te stappen, toen hij, de dekens terugslaande, tot zijne groote verbazing, een kind ontdekte, in grove linnen doeken gehuld, en in een zoeten slaap, tusschen zijne lakens.
Hij stond een oogenblik verstomd bij dit gezigt, maar aangezien de goedheid steeds de overhand had in zijne ziel, werd hij weldra met gevoelens van medelijden bezield voor het hulpelooze wichtje. Hij trok aan de schel en beval dat eene bejaarde vrouwelijke dienstbode dadelijk opstaan en bij hem komen zou, en inmiddels raakte hij zoodanig verdiept in de beschouwing der bevallige onschuld, zooals zij zich vertoonde met die levendige kleuren, welke de kindschheid en de slaap er altijd aan geven, dat hij te afgetrokken werd, om zich te herinneren dat hij in zijn hemd stond toen de vrouw binnen trad. Zij had inderdaad haar meester tijd genoeg gelaten om zich te kleeden; want uit eerbied voor hem en voor de betamelijkheid, had zij vrij lang vòòr den spiegel gestaan, om zich het haar op te maken, niettegenstaande de haast waarmede zij door den knecht geroepen werd, en hoewel zij niet wist of niet welligt haar meester aan eene beroerte, of een ander toeval lag te sterven.
Men zal niet verwonderd zijn, dat een wezen, hetwelk zelf zoozeer om de betamelijkheid gaf, diepgeschokt was door de minste veronachtzaming daarvan in iemand anders. Zij had dus pas de deur geopend, en haar meester zien staan naast het bed in zijn hemd, met den blaker in de hand, of zij deinsde uiterst verschrikt terug, en zou welligt in zwijm zijn gevallen, als hij zich niet herinnerd had, dat hij ongekleed was, en tevens een einde aan haar angst gemaakt had, door haar te verzoeken uit de kamer te blijven tot hij wat kleeren weêr aangetrokken zou hebben, en niet meer in staat zou zijn de reine oogen van jufvrouw Deborah Wilkins te schokken, die, hoewel in haar twee en vijftigste jaar, verklaarde dat zij nooit een man in hemdsmouwen gezien had.
Spotters en goddelooze grappenmakers zullen welligt om haar angst lagchen; maar de ernstige lezer, als hij het nachtelijke uur bedenkt, het oproepen uit haar bed, en den toestand waarin zij haar meester vond, zal haar gedrag ten hoogste goedkeuren en prijzen;—tenzij zijne bewondering eenigzins getemperd worde door de gedachte aan die voorzigtigheid die men veronderstellen moet eigen te zijn aan maagden van den leeftijd van jufvrouw Deborah.
Zoodra jufvrouw Deborah in de kamer trad en van haar meester vernomen had, hoe hij het kind gevonden had, werd haar schrik heviger dan straks, en zij kon niet nalaten met de meeste ontsteltenis in blik en sprake uit te roepen: „Hemel, mijnheer! wat moeten wij beginnen!” De heer Allworthy hernam dat zij dien nacht voor het kind moest zorgen, en dat hij den volgenden morgen de noodige bevelen zou geven om het van eene min te voorzien.
„Ja, mijnheer,” antwoordde zij, „en ik hoop dat gij tevens een bevelschrift zult uitvaardigen om die slet, zijne moeder, op te pakken,—want zij moet hier uit de buurt zijn,—en het zou me goed doen als zij eerst achter slot gebragt en later openlijk gegeesseld werd. Waarlijk, men kan zulke ondeugende feeksen niet te streng straffen! Ik zou wel willen wedden, dat het haar eerste kind niet is,—nu zij de onbeschaamdheid heeft om u voor den vader daarvan uit te maken!”
„Mij! Wel, Deborah,” hernam Allworthy, „ik geloof niet dat zij zoo iets bedoelt! Ik verbeeld me dat zij slechts dit middel te baat genomen heeft om voor haar kind te zorgen, en wezenlijk, ik ben blijde, dat zij niets ergers daarmede begonnen heeft.”
„Ik weet niets ergers,” riep Deborah, „dan dat zulke gemeene wijven hare zonden aan een eerlijk man ten laste leggen. En hoewel mijnheer van zijne eigene onschuld overtuigd is, blijft de wereld toch kwaadsprekend, en het is het lot geweest van menig eerlijk man om door te gaan voor den vader van kinderen die de zijne niet waren, en als mijnheer voor het kind zorgt, zullen de menschen des te eerder iets van dien aard gelooven. Bovendien, waarom zou mijnheer zorgen voor iets wat de diakonie aangaat? Voor mijn part—als het maar een eerlijk mans kind was;—maar het stuit mij tegen de borst zulke misgeboorten aan te raken, die ik niet eens als mijne medeschepselen beschouw! Bah! Wat stinkt het! Het ruikt niet eens als een Christen! En als ik me verstouten mogt raad te geven, zou ik het in een mandje laten pakken en op straat, voor de deur van den president-diaken, laten neerleggen. Het is mooi weêr heden avond,—met uitzondering van wat regen en wind, en als het goed ingepakt en in een warm mandje gelegd werd, is er kans, dat het tot morgen vroeg blijft leven;—en als het niet leeft, dan hebben wij onzen pligt gedaan, door er voor te zorgen, op eene gepaste wijze, en het is welligt beter dat zulke schepselen in een staat van onschuld sterven, dan dat zij opgroeijen en denzelfden weg opgaan als hunne moeders;—want veel beters is er van hen niet te wachten.”
Er waren enkele zetten in deze redevoering, welke den heer Allworthy misschien beleedigd zouden hebben, indien hij er oplettend naar geluisterd had; maar hij had al een zijner vingers in het handje van het kind gelegd, dat door eene zachte drukking zijne hulp scheen in te roepen, en zekerlijk de welsprekendheid van jufvrouw Deborah verijdeld zou hebben, al ware die tienmaal grooter geweest dan ze was. Hij gaf nu stellige bevelen aan jufvrouw Deborah om het kind in haar eigen bed te nemen, en om eene meid op te roepen, om pap te bezorgen en al wat het verder noodig mogt hebben als het wakker werd. Hij beval insgelijks dat men het ’s morgens vroeg van de vereischte kleêren zou voorzien en dat het bij hem gebragt zou worden zoodra hij op was.
Zoo groot was de scherpzinnigheid van jufvrouw Wilkins, en de achting, welke zij haren meester toedroeg, bij wien zij eene uitstekende dienst had, dat al hare bezwaren weken voor zijne stellige bevelen, en zij het kind in de armen nam zonder eenigen blijkbaren afkeer wegens zijne onwettige geboorte, en, verklarende, dat het een „allerliefst kindje was,” er mede naar hare eigene kamer aftrok.
Allworthy begaf zich daarop te bed om die zoete rust te smaken, welke een hart, dat smacht naar de gelegenheid om liefde te betoonen, geniet als het voldaan is,—en daar deze rust zoeter is dan die welke eenig ander feestmaal verschaffen kan, zou ik me meer moeite geven om ze aan den lezer te doen kennen, als ik maar tegelijk wist, welken leefregel ik hem aanbevelen moest, om den lust daartoe bij hem op te wekken.
HOOFDSTUK IV.
DE LEZER LOOPT GEVAAR VAN DEN NEK TE BREKEN OVER EENE BESCHRIJVING;—HOE HIJ DAARAAN ONTSNAPT, EN DE GROOTE VRIENDELIJKHEID VAN MEJUFVROUW BRIGITTA ALLWORTHY.
De Gothische bouworde kan niets schooners opleveren dan het huis van den heer Allworthy. Er was iets grootsch in, dat ontzag inboezemde, en dat wedijverde met de schoonheden van de beste Grieksche bouwkunst;—en het was even gemakkelijk van binnen als eerbiedwaardig van buiten.
Het stond aan de zuidoostelijke helling van een heuvel, digter bij den voet dan bij den top, zoodat het beschermd werd tegen den noord-oostenwind door een bosch van oude eiken, dat zich bijna eene halve mijl ver, amphitheatersgewijs opklimmende, daarboven verhief, terwijl het huis toch hoog genoeg gelegen was, om een bekoorlijk gezigt te hebben op het dal daar beneden.
In het midden van het bosch was eene schoone grasvlakte, die naar het huis afhelde, en, bijna op het hoogste punt daarvan, stroomde eene schoone beek uit een rots, met dennen gekroond, en vormde een aanhoudenden waterval van omtrent dertig voet,—niet langs een geregelden trap naar beneden geleid,—maar heel natuurlijk neêrstortende over de met mos begroeide steenklompen, tot het water den voet van den rots bereikte, waar het in eene steenachtige bedding wegvloeide, vele kleinere watervallen vormde en al verder kronkelende, in een meertje viel onder aan den heuvel, ongeveer een kwart mijl van het huis, aan den zuidkant, en dat zigtbaar was uit elk venster in het front van het gebouw. Uit dit meer, en door eene schoone vlakte, versierd met groepjes van beuken en olmen, waar de schapen weidden, stroomde een rivier, die men vele mijlen ver zag kronkelen door eene groote afwisseling van weiden en bosschen, tot ze in zee viel;—een breede arm van dezen stroom, met een eiland in het verschiet, begrensde het gezigt.
Regts van deze vallei bevond zich eene tweede van mindere uitgebreidheid, verlevendigd door verscheidene dorpen, en gesloten door één der torens van een oud vervallen klooster, met klimop begroeid,—waarvan ook een gedeelte van het front nog was blijven staan.
Links had men het gezigt op een zeer fraai park, uit een golvend terrein bestaande, en aangenaam afgewisseld door heuvels, grasland, bosch en water,—met bewonderenswaardigen smaak aangelegd, maar toch minder aan de kunst dan aan de natuur verschuldigd. Verder verrezen trapsgewijs woeste bergruggen, welker toppen in de wolken gehuld waren.
Het was in het midden van Mei en een bijzonder schoone morgen, toen de heer Allworthy op het terras van het huis trad, waar de dageraad met elke minuut iets meer van het heerlijke uitzigt, dat wij beschreven hebben, aan zijne blikken vertoonde.
De zon, welke stroomen licht vooruit gezonden had door den blaauwen aether, als herauten harer pracht, verrees nu in schitterende majesteit,—en slechts één voorwerp op deze aarde kon heerlijker zijn,—namelijk dat wat wij in den heer Allworthy zelven zien; een menschelijk wezen met welwillendheid bezield, overleggende op welke wijze hij zijn Schepper het meest welgevallig kan worden, door het meeste goed aan zijne medeschepselen te doen.
Lezer! pas op! Ik heb u onvoorzigtiglijk boven op een heuvel gebragt, even zoo hoog als dien van den heer Allworthy, en hoe u er aftebrengen, zonder u den nek te breken, weet ik waarlijk niet. Wij moeten echter wagen zamen naar beneden te glijden, want mejufvrouw Brigitta laat de klok luiden om den heer Allworthy tot het ontbijt te roepen, waarbij ik tegenwoordig moet zijn, en het zal me genoegen doen, als gij me vergezellen wilt.
Na de gebruikelijke groeten tusschen den heer Allworthy en mejufvrouw Brigitta, zoodra de thee ingeschonken was, riep hij jufvrouw Wilkins en vertelde zijne zuster, dat hij haar een geschenk meêgebragt had, waarvoor zij hem dankte, veronderstellende, denkelijk, dat het eene japon was, of eenig ander opschik. Inderdaad, deed hij haar dikwerf dergelijke geschenken, en uit inschikkelijkheid jegens hem, bragt zij veel tijd door met zich op te sieren. Ik zeg, uit inschikkelijkheid jegens hem, omdat zij altijd zelve de meeste minachting te kennen gaf voor al wat kleeding was en voor die dames, die daar eenig belang in stellen.
Indien zij echter iets van dien aard verwachtte, moet hare teleurstelling groot zijn geweest, toen jufvrouw Wilkins, volgens de bevelen van haar meester, met het kind binnenkwam! Men heeft opgemerkt, dat groote verrassingen doen verstommen, en dit was dan ook het geval met mejufvrouw Brigitta, toen haar broeder begon en haar het heele verhaal deed, dat, daar het den lezer reeds bekend is, wij niet herhalen zullen.
Mejufvrouw Brigitta had altijd zooveel eerbied getoond voor hetgeen het den dames behaagt „deugd” te noemen, en was zelve altijd zoo onberispelijk streng geweest, dat iedereen, en vooral jufvrouw Wilkins moest verwachten, dat zij zich zeer verbitterd zou toonen bij deze gelegenheid, en onmiddellijk als hare meening zou te kennen geven, dat men het kind, als een soort van schadelijk ongedierte, het huis uit moest zenden; maar, integendeel, zij koos veeleer de goedaardige partij, uitte eenig medelijden voor het hulpelooze wichtje en roemde de goedheid van haren broeder in hetgeen hij al gedaan had.
Misschien zal de lezer dit gedrag verklaren uit hare inschikkelijkheid voor den heer Allworthy, als wij zeggen, dat de goede man zijn verhaal eindigde met zijn besluit te kennen te geven om voor het kind te zorgen, en het als zijn eigen zoon op te voeden;—want, waar is het, dat zij altijd gereed was haren broeder van dienst te zijn, en hem zelden of nooit tegensprak;—hoewel zij soms eenige aanmerkingen deed hooren;—bij voorbeeld, dat alle mannen koppig waren, en hun eigen zin wilden hebben, en dat zij wenschte dat zij gezegend ware geweest met een onafhankelijk vermogen;—maar dit alles werd zeer zachtjes gezegd, en kon, op zijn best pruttelen genoemd worden.
Maar al hetgeen zij het kind spaarde, schonk zij des te ruimer aan de arme onbekende moeder, die zij eene onbeschaamde slet, eene gewetenlooze heks, eene gemeene feeks, eene leelijke straatloopster noemde,—die zij in één woord geen enkele dier scheldnamen kwijdschold, waarmede de deugd nooit verzuimt diegenen te geesselen, die het schoone geslacht tot schande strekken.
Wijders werd er een raad belegd, over wat men doen moest, om de moeder te ontdekken. Eerst werd er een onderzoek ingesteld omtrent het karakter van al de vrouwelijke dienstboden in huis, die allen, en schijnbaar zeer billijk, door jufvrouw Wilkins vrijgesproken werden; want zij had ze zelve uitgezocht en het zou welligt moeijelijk geweest zijn een tweede stel van dusdanige vogelverschrikkers bijeen te brengen.
De volgende stap was een onderzoek te doen onder de leden van de gemeente, en dit werd aan jufvrouw Wilkins opgedragen, die met den meest mogelijken ijver aan het werk moest gaan en haar rapport des namiddags indienen.
Zoodra dit alles geregeld was, begaf de heer Allworthy zich, volgens zijne gewoonte, naar zijne studeerkamer en liet het kind aan zijne zuster over, die, overeenkomstig zijn wensch, beloofd had daarvoor te zorgen.
HOOFDSTUK V.
BEVATTENDE EENIGE ZEER GEWONE DINGEN, MET EENE ZEER BUITENGEWONE OPMERKING DIENAANGAANDE.
Toen haar meester weg was, bleef jufvrouw Deborah stil zwijgen, in afwachting van den toon dien mejufvrouw Brigitta zou aanslaan; want, ten opzigte van hetgeen voorgevallen was in het bijzijn van mijnheer, daarop vertrouwde de voorzigtige huishoudster volstrekt niet; daar zij dikwerf gezien had dat de gevoelens der dame, in de afwezigheid van haar broeder, aanmerkelijk verschilden van die, welke zij in zijne tegenwoordigheid uitgedrukt had. Mejufvrouw Brigitta liet haar echter niet lang in deze onzekerheid; want na een oogenblik het kind ernstig aangekeken te hebben terwijl het op den schoot van jufvrouw Deborah lag te slapen, kon de goede dame niet laten het een hartelijken kus te geven, tegelijker tijd hare groote ingenomenheid toonende met zijne schoonheid en onschuld. Zoodra jufvrouw Deborah dit ontwaarde, begon zij het te pakken en te kussen met evenveel verrukking als somtijds eene zeer wijze dame van vijf en veertig het haar jeugdigen en krachtigen bruidegom doet, terwijl zij met eene schelle stem uitriep:
„O wat een lief kindje! Wat een mooi, engelachtig kindje! Een heerlijker jongetje zou men zich niet kunnen verbeelden!”
Deze uitroepingen werden voortgezet tot ze afgebroken werden door de dame, die nu er toe overging om de bevelen van haar broeder te doen uitvoeren, en alles te laten aanschaffen dat het kind noodig kon hebben, tevens met aanwijzing van een zeer geschikt vertrek in huis, voor kinderkamer. Alles werd inderdaad op zulk eene ruime schaal ingerigt, dat zij niet milder had kunnen zijn voor haar eigen kind; maar, opdat de deugdzame lezer haar niet veroordeele omdat zij te veel over had voor een onwettig kind, jegens hetwelk alle liefde door de wet zelve als ongodsdienstig afgekeurd wordt, achten wij het gepast op te merken, dat zij eindigde met te zeggen:
„Dat, daar haar broeder zich in ’t hoofd gezet had den bengel aantenemen, zij van oordeel was dat de jongenheer met de meeste teederheid behandeld moest worden;—wat haar betrof, zij kon niet nalaten te denken dat zoo iets de ondeugd aanmoedigde; maar zij was te wel bekend met de stijfhoofdigheid der mannen, om eenige hunner bespottelijke grillen tegen te gaan.”
Gelijk wij vroeger gezegd hebben, plagt zij gewoonlijk elk blijk van toegeven aan de wenschen van haren broeder door dergelijke opmerkingen vergezeld te doen gaan, en zeker kon niets de verdienste van hare inschikkelijkheid meer verhoogen, dan de verklaring, dat zij zeer goed bewust was van de onredelijkheid en dwaasheid der eischen, waaraan zij zich onderwierp. Stilzwijgende gehoorzaamheid geschiedt blijkbaar zonder dwang, en kan dus gemakkelijk en zonder eenige moeite in praktijk worden gebragt; maar als eene vrouw, een kind, een bloedverwant, of een vriend, onze wenschen al morrende en met tegenzin vervult, met uitdrukkingen van weerzin en onwil, moeten de bezwaren, waaronder zij gebukt gaan, natuurlijk de waarde der verpligting zeer vermeerderen.
Daar deze eene der diepzinnige opmerkingen is, welke weinige lezers, naar men veronderstellen mag, in staat zijn voor zich zelven te maken, heb ik goedgevonden hun hier ter hulpe te komen;—eene gunst, die slechts zelden te wachten is in den loop van dit werk. Inderdaad, ik zal hem zelden of nooit op die wijze vergasten, tenzij in gevallen als het onderhavige, waar die hoogere ingeving waarop wij schrijvers roemen mogen, onmisbaar is voor eene dergelijke ontdekking.
HOOFDSTUK VI.
JUFVROUW DEBORAH WORDT (MET EEN MOOI BEELD) IN HET DORP GEBRAGT. EEN KORT BERIGT VAN JENNI JONES, EN DE BEZWAREN EN ONTMOEDIGING, WELKE JONGE MEISJES SOMS TE OVERWINNEN HEBBEN IN HET ZOEKEN NAAR WETENSCHAP.
Jufvrouw Deborah, na voor het kind gezorgd te hebben, volgens den wil van haren meester, maakte zich nu gereed om die woningen te bezoeken, waar ze kon veronderstellen dat de moeder schuilde.
Even als wanneer het voglenheir den havik,—dien verschrikkelijken roover!—hoog boven zich in de lucht ziet zweven, en de verliefde tortelduif en elk onschuldig vogeltje, den schrik alom verspreidende en sidderende, eene schuilplaats zoeken, terwijl hij trotsch verder zweeft door de hemelruimte, zijner waardigheid bewust en onheil dreigende;—alzoo vlugtten al de bevende dorpelingen in hunne huizen, toen de nadering van jufvrouw Deborah door de straten verkondigd werd, terwijl iedere matrone vreesde, dat het bezoek haar gold. Inmiddels naderde zij met deftige schreden, trotsch over het veld stappende, met het statige hoofd omhoog, vervuld met het besef van hare eigene meerderheid, en steeds overleggende, hoe zij hare voorgenomen ontdekking zou doen.
De verstandige lezer zal, uit het beeld dat ik gebruikt heb, zich niet verbeelden, dat deze arme menschen eenig denkbeeld hadden van het voornemen, dat jufvrouw Wilkins nu koesterde;—daar echter de schoonheid van dit beeld welligt eene eeuw lang onopgemerkt zou kunnen blijven, tot de eene of andere toekomstige commentator dit werk onder handen neemt, acht ik het gepast den lezer hier wat bijstand te verleenen.
Het is dus mijn voornemen te doen opmerken, dat even als het in den aard van een roofvogel ligt om kleinere vogels te verscheuren, het ook zoo in den aard van zulke menschen als jufvrouw Wilkins ligt, om het geringe volkje te beleedigen en te onderdrukken. Dit is inderdaad het middel dat zij gebruiken, om zich eenige vergoeding te verschaffen voor hunne laagheid en gedienstigheid jegens hunne meerderen; want niets is redelijker dan dat slaven en vleijers, van allen die beneden hen zijn, dezelfde schatting eischen, welke zij aan allen betalen, die boven hen gesteld worden.
Zoodra jufvrouw Deborah dus in de noodzakelijkheid was eenige gedienstigheid te toonen jegens mejufvrouw Brigitta, en zij zoodoende haar eigen humeur wat verbitterd had, was het eene gewoonte bij haar geworden, om onder dit volkje te gaan, ten einde zich het gemoed te verligten, door haar slecht humeur lucht te geven, en zich als het ware daarvan te zuiveren, om welke reden zij dan ook volstrekt geen gewenschte gast was;—of liever, om de waarheid niet te verbergen, algemeen gevreesd en gehaat was.
Zoodra zij nu aangekomen was, begaf zij zich naar de woning van zekere bejaarde matrone, jegens wie zij, daar deze dame het geluk had op haar te gelijken, zoowel wat uiterlijke bekoorlijkheden als leeftijd betreft, over het algemeen gunstiger gestemd was, dan jegens iemand anders dáár.
Aan deze vrouw deelde zij mede wat er gebeurd was, en het voornemen waarmede zij dien morgen naar het dorp gekomen was. Deze beide begonnen nu dadelijk het karakter van alle jonge meisjes, die daar woonden, te onderzoeken, en vestigden eindelijk hare sterkste vermoedens op zekere Jenni Jones, die zij beide hielden voor de meest waarschijnlijke pleegster der daad.
Deze Jenni Jones was geen bijzonder knap meisje, wat haar gezigt of figuur betrof, maar de natuur had eenigzins het gebrek aan schoonheid vergoed, door iets, dat gewoonlijk hooger geacht wordt door die dames, wier oordeel door de jaren gerijpt is,—want zij was begaafd met bijzonder veel verstand. Deze gave had Jenni door onderwijs zeer ontwikkeld. Zij had verscheiden jaren bij een schoolmeester gediend, die eene groote vlugheid en eene buitengewone zucht naar kennis in het meisje ontdekt hebbende,—want hij vond haar in elk vrij uurtje bezig met lezen in de boeken der schooljongens, de goedheid, of de dwaasheid had—naar verkiezing van den lezer,—om haar zooveel te leeren, dat zij eene redelijke kennis verkreeg der Latijnsche taal en misschien even knap werd als de meeste jonge heeren van goeden huize te dien tijd. Dit voorregt echter, even als vele anderen van buitengewonen aard, ging vergezeld van eenige kleine ongemakken;—want, even als het geen wonder is, dat een zoo wel opgevoed jong meisje weinig behagen schepte in den omgang met diegenen, welke het lot tot hare makkers, maar de opvoeding tot hare minderen gemaakt had,—zoo is het tevens volstrekt niet vreemd, dat deze meerderheid van Jenni, tegelijk met het gedrag, hetwelk het natuurlijke gevolg daarvan is, eenigen nijd en onwil tegen haar opwekten, die welligt in het geheim in het hart harer buren gesmeuld hadden, van het oogenblik af, dat zij uit hare dienst teruggekomen was.
Hun nijd echter werd eerst openbaar, toen de arme Jenni, tot de algemeene verbazing en tot groote ergernis van alle meisjes in den omtrek, zich op zekeren Zondag vertoonde in een nieuwen zijden japon, met eene kanten muts en verder daarbij passenden opschik.
De vlam, welke tot dusver gesmeuld had, barstte nu uit. Jenni had door hare geleerdheid haar eigen hoogmoed gevoed, waarvoor echter geen harer buren dien eerbied toonde, welken zij scheen te eischen, en thans, in plaats van vereering en aanbidding, gewerd haar niets dan haat en bespotting wegens hare praalzucht. De geheele gemeente verklaarde, dat zij op geene eerlijke wijze aan zoo iets had kunnen komen, en ouders, in plaats van hunne kinderen zoo iets toe te wenschen, wenschten zich zelven geluk, dat zij het niet bezaten.
Om deze redenen welligt, noemde de goede vrouw het eerst den naam van dit arme meisje aan jufvrouw Wilkins; maar er was nog eene andere omstandigheid, welke hare vermoedens bevestigde,—want Jenni was in den laatsten tijd dikwijls bij mijnheer Allworthy aan huis geweest. Zij had mejufvrouw Brigitta gedurende eene hevige ziekte opgepast, en verscheidene nachten bij die dame gewaakt;—bovendien had jufvrouw Wilkins zelve haar dáár gezien den dag vóór de terugkomst van den heer Allworthy, zonder dat die slimme vrouw om die reden haar van iets verdacht had; want, gelijk zij zelve zeide: „Zij had Jenni altijd voor een heel fatsoenlijk meisje gehouden,—hoe weinig zij haar ook kende,—en had eerder het oog gehad op de eene of andere van die ligtzinnige nufjes, die zich iets verbeeldden op hare gewaande schoonheid.”
Jenni werd nu opgeroepen om bij jufvrouw Deborah te komen, en verscheen dadelijk. Hierop begon jufvrouw Deborah, met al de deftigheid van een regter, en met iets meer dan regterlijke gestrengheid, eene redevoering, met de woorden: „Gij onbeschaamde straatloopster,”—en ging voort met over de beschuldigde veeleer het vonnis uit te spreken, dan haar te verhooren.
Hoewel nu jufvrouw Deborah, om boven vermelde redenen, van Jenni’s schuld overtuigd was, is het mogelijk, dat de heer Allworthy eenige meerdere bewijzen zou gevorderd hebben eer hij haar veroordeelde; maar zij spaarde hare aanklagers die moeite, door onmiddellijk het feit te bekennen, waarvan men haar beschuldigde.
Deze bekentenis, hoewel, naar het schijnt, met eenige blijken van berouw gepaard, vermurwde in het geheel niet jufvrouw Deborah, die er nu toe overging om een tweede vonnis tegen haar te vellen, in nog sterkere bewoordingen dan te voren. Jenni’s bekentenis werkte ook niet beter op de toehoorders, die nu zeer talrijk waren geworden. Velen er onder riepen ook uit: „Dat zij wel begrepen hadden, waar die zijden japon van de juffer van daan was gekomen,” en anderen spraken zeer ironisch over hare geleerdheid. Er was geen enkel vrouwelijk wezen tegenwoordig, dat geen middel vond om haar afschuw van de arme Jenni aan den dag te leggen, die alles zeer geduldig droeg, behalve de kwaadaardigheid van ééne vrouw, die over haar uiterlijk spotte, en den neus ophalende, zeide; „Dat die vent een raren smaak moest hebben, die zijden japonnen over had voor zulk een leelijk schepsel als dit!”
Hierop antwoordde Jenni met eene verbittering, welke een verstandig mensch verbaasd zou hebben, die de kalmte opgemerkt had, waarmede zij alle aanmerkingen op haar gedrag aangehoord had—maar haar geduld was welligt uitgeput;—want dit is eene deugd, die zeer gemakkelijk door het gebruik slijt.
Jufvrouw Deborah aldus boven wenschen en bidden geslaagd zijnde in haar onderzoek, keerde zegevierende naar huis terug, en gaf op het bepaalde uur getrouw berigt aan den heer Allworthy, die grootelijks verrast was; want hij was bekend met de buitengewone gaven en kennis van het meisje, dat hij, tegelijk met eene kleine collatie, aan een predikant in de buurt tot vrouw had bestemd. Zijn verdriet dus bij deze gelegenheid evenaarde ten minste de voldoening, welke jufvrouw Deborah liet blijken, en voor vele lezers zal het welligt veel redelijker schijnen.
Mejufvrouw Brigitta echter zeide, dat, wat haar betrof, zij in het vervolg nooit iets goeds van eenige vrouw zou gelooven. Want Jenni had tot dusver het geluk gesmaakt om ook genade in hare oogen gevonden te hebben.
De voorzigtige huishoudster werd weder uitgezonden, om de ongelukkige zondares voor den heer Allworthy te brengen, ten einde—niet gelijk door eenigen gehoopt en door allen gewacht werd,—naar het verbeteringsgesticht gezonden te worden; maar om heilzame vermaningen en berispingen te ontvangen, welke gelezen kunnen worden in het volgende hoofdstuk door diegenen, welke ingenomen zijn met dergelijk leerzaam geschrijf.
HOOFDSTUK VII.
BEVATTENDE ZULKE ERNSTIGE ZAKEN, DAT DE LEZER HET GEHEELE HOOFDSTUK DOOR NIET EENS LAGCHEN KAN, TEN ZIJ HIJ WELLIGT OM DEN SCHRIJVER LAGCHE.
Toen Jenni verscheen, nam de heer Allworthy haar mede op zijne boekenkamer, en sprak tot haar als volgt:
„Gij weet wel, kind, dat ik de magt heb, als magistraat, om u zeer streng te straffen voor hetgeen ge gedaan hebt, en ge zult welligt des te eerder gelooven, dat ik gebruik zal maken van die magt, omdat gij, als het ware, mij in uwe misdaad betrokken hebt.
„Maar dit is welligt juist eene van de redenen, die mij hebben doen besluiten u met meer zachtheid te behandelen; want daar een magistraat nooit door eenigen bijzonderen wrok bestuurd mag worden, wil ik in plaats van het nederleggen van het kind in mijn huis als eene verzwarende omstandigheid te beschouwen, eerder, in uw voordeel, veronderstellen, dat gij daartoe gedreven zijt geworden door aangeborene liefde tot uw kind, daar ge hopen mogt het aldus beter verzorgd te zien, dan had kunnen geschieden door u of door zijn loszinnigen vader. Ik zou ook, inderdaad, zeer tegen u ingenomen zijn geweest, als ge het ongelukkig wichtje blootgesteld hadt op de wijze van sommige onmenschelijke moeders, die tegelijk met hare zedigheid alle menschelijk gevoel schijnen verzaakt te hebben. Het is over iets anders in uw gedrag, dat ik u vermanen wilde, namelijk over de verloochening van uwe zedigheid;—eene misdaad, die hoe ligt ze ook geteld worde door sommige losbandige menschen, zeer ernstig is op zich zelve en allerverschrikkelijkst in de gevolgen.
„De ernstige aard van dezen misstap moet duidelijk genoeg zijn voor iederen Christen, daar die begaan wordt in weerwil van de wetten van onze godsdienst, en van de bepaalde voorschriften van Hem, die die godsdienst stichtte.
„En daaruit kan men opmaken hoe verschrikkelijk de gevolgen zijn; want, wat kan erger zijn dan den toorn des Hemels te tarten, door de goddelijke geboden te overtreden,—en dat vooral in een geval, waartegen het zwaarste vonnis des hemels bepaaldelijk uitgesproken is?
„Maar deze dingen, hoewel, naar ik vrees, te weinig geteld, zijn zoo bekend, dat de mensch, hoe noodig het ook zij hem daaraan te herinneren, nooit eenig onderwijs daarin behoeft. Genoeg dus, als ik u een wenk geef, om uw geweten ten dezen opzigte wakker te maken; want ik wilde u berouw en volstrekt geene wanhoop inboezemen.
„Er zijn ook nog andere gevolgen, die ofschoon niet zoo vreesselijk of afgrijsselijk als deze, toch nog, als men ze aandachtig beschouwt, naar ik meen, uw geslacht ten minste een afschrik moeten geven van deze misdaad.
„Want zij maakt u tot een voorwerp van verachting, en verdrijft u, als vroeger de melaatschen, uit de maatschappij,—ten minste berooft ze u van den omgang van iedereen die niet slecht en verstokt is, daar niemand anders zich met u ophouden wil.
„Als gij vermogen bezit, wordt ge daardoor buiten staat gesteld om het te genieten; als ge niets hebt, wordt ge onbekwaam om iets te verkrijgen, ja, bijna om aan den kost te komen: want geen eerlijk mensch wil u bij zich in huis opnemen. Dus wordt ge dikwijls door den nood gedreven tot schande en ellende, die onfeilbaar eindigen met den ondergang beide van ligchaam en ziel.
„Kan eenig genot deze rampen vergoeden? Is er eenige redenering, hoe spitsvindig ook, denkbaar dat ze u tot zulk eene dwaasheid zou kunnen overhalen? Of kan eenig zinnelijk genot uwe reden zoodanig overmeesteren, of in slaap wiegen, dat het u belet met schrik en afschuw eene misdaad te ontvlugten, die zulke bestraffing ten gevolge heeft?
„Hoe laag en verachtelijk moet die vrouw zijn—hoe ontbloot van die waardigheid en betamelijken hoogmoed, zonder welken wij den naam van menschen niet verdienen, die er toe komen kan zich te verlagen tot den rang van het verachtelijkste dier, en al wat groot en edel is, al hare aanspraken op den hemel, op te offeren aan eene drift, welke zij gemeen heeft met de laagste schepselen op aarde! Want, voorzeker zal geene vrouw het wagen de liefde tot hare verontschuldiging aantevoeren. Dat zou zijn bekennen dat zij niets dan het werktuig en het speelgoed van den man is! De liefde, hoe barbaarsch wij ook hare beteekenis verdraaijen en verbasteren, is eene prijzenswaardige en redelijke drift en kan alleen hevig zijn als zij wederkeerig is; want hoewel de Schrift ons beveelt onze vijanden lief te hebben, wordt daarmede niet bedoeld de vurige liefde, welke wij onze vrienden toedragen, noch veel minder dat wij ons leven voor hen moeten opofferen,—of wat nog kostbaarder moest zijn, onze onschuld. En in welk licht, dan dat van een vijand, kan eene zedige vrouw den man beschouwen, die eischt dat zij zich onderwerpe aan al de ellende, welke ik beschreven heb, en die zich een kort, beuzelachtig, verachtelijk genot wil verschaffen ten koste van al wat haar dierbaar moet zijn? Want, volgens de wetten der gewoonte, valt de geheele schande, met alle verschrikkelijke gevolgen daarvan, geheel op haar. Kan de liefde, die altijd het geluk beoogt van haar voorwerp, ooit ondernemen eene vrouw tot eene handeling te verleiden, waarbij zij zoo veel verliezen moet? Indien zulk een verleider de onbeschaamdheid heeft eene wezenlijke liefde te veinzen, moet de vrouw hem dan niet beschouwen, niet slechts als een vijand, maar als den ergsten van alle vijanden,—als een valschen, listigen, verraderlijken, voorgewenden vriend, die haar te gelijk zedelijk en ligchamelijk ondermijnen wil?”
Daar Jenni hier blijken van groote droefheid liet zien, zweeg Allworthy een oogenblik en hervatte toen:
„Ik heb u dit alles herinnerd, kind, niet om u te beleedigen omtrent het verledene, dat onherroepelijk is, maar om u voor de toekomst te waarschuwen en te versterken. En ik zou me die moeite niet gegeven hebben, als ik niet eenig denkbeeld had van uw gezond verstand, niettegenstaande den verschrikkelijken misstap welken gij gedaan hebt,—en ook uit hoop op opregt berouw van uw kant, welke gegrond is op de opregtheid en openhartigheid uwer bekentenis. Als ik me hierin niet bedrogen zie, zal ik zorg dragen u van dit tooneel uwer schande te verwijderen, daarheen, waar gij door onbekend te zijn, de straf kunt ontgaan, welke, gelijk ik gezegd heb, in deze wereld onvermijdelijk volgt op eene misdaad als de uwe, en ik hoop, dat gij door opregt berouw de nog zwaardere veroordeeling verzachten zult, die u hiernamaals dreigt. Wees in het vervolg een braaf meisje, en het gebrek zal geene aanleiding zijn tot verdere afdwaling,—en geloof me, als ik u ook verzeker, dat er zelfs in dit leven meer genot is voor de deugd en de onschuld dan voor de losbandigheid en de ondeugd.
„Wat uw kind aangaat, daaromtrent behoeft gij volstrekt niet ongerust te zijn;—ik zal er beter voor zorgen dan gij ooit hebt kunnen verwachten. En nu blijft u niets meer over, dan dat gij mij bekent wie de snoodaard is, die u verleidde, want ik ben meer vertoornd op hem dan op u.”
Jenni sloeg de oogen nu op, en begon met een zedigen blik en eene bedaarde stem, als volgt:
„Het zou een blijk zijn van gebrek aan gezond verstand en al wat edel is in den mensch, als men u kennen kon zonder uwe goedheid te vereeren. In mij zou het meer dan ondankbaarheid wezen als ik niet diep getroffen was door de hooge mate van goedheid, welke het u behaagt jegens mij te toonen. Wat mijn berouw betreft over het verledene,—ik weet, dat gij mij de schaamte zul: besparen van de betuigingen daarvan te herhalen. De toekomst zal wel beter mijne gevoelens bewijzen, dan eenige betuigingen, die ik nu zou kunnen doen. Mag ik u echter verzekeren, mijnheer, dat ik nog hooger prijs stel op uw goeden raad, dan op het edelmoedige aanbod, waarmede gij eindigdet? Want, gelijk het u behaagde op te merken, mijnheer, het is een bewijs, dat gij me niet geheel ontbloot acht van verstand;” hier zweeg zij een oogenblik, terwijl hare tranen rijkelijk vloeiden, en hervatte toen: „Inderdaad, mijnheer, uwe goedheid overstelpt mij; maar ik zal trachten ze waardig te worden; want, als ik wezenlijk het verstand bezit, dat gij mij zoo vriendelijk toekent, kan zulke raad niet te vergeefs zijn. Ik dank u van ganscher harte, mijnheer, voor uwe voorgenomene weldaden jegens mijn arm hulpeloos kindje; het is onschuldig en zal, naar ik hoop, leven om dankbaar te zijn voor de gunst welke gij hem bewijzen wilt. Maar nu, mijnheer, moet ik u op mijne knieën smeeken, niet vol te houden met van mij te vorderen dat ik u den vader van mijn kind zal noemen. Ik beloof u plegtig dat gij dien naam eens zult hooren; maar ik heb me verbonden door de heiligste beloften en eeden, om op dit oogenblik zijn naam te verzwijgen. En ik ken u te goed, om te kunnen veronderstellen, dat het uwe begeerte zou zijn, dat ik mijn eenmaal gegeven woord, of mijne geloften zou schenden.”
De heer Allworthy, dien de bloote vermelding van zulke heilige zaken met ontzag vervulde, aarzelde een oogenblik eer hij antwoordde, en zeide haar toen, dat zij verkeerd gedaan had met zich aan zulke verpligtingen tegenover een schurk te onderwerpen; maar, daar zij dit eenmaal gedaan had, kon hij niet eischen, dat zij ze niet nakomen zou. Hij verzekerde haar, dat hij niet uit ijdele nieuwsgierigheid gevraagd had, maar alleen met het doel om den schuldige te straffen, en ten einde niet uit onwetendheid in het geval te komen soms iemand, die het niet verdiende, eene gunst te bewijzen.
Wat dit alles betrof, verzekerde hem Jenni plegtig, dat die man buiten zijn bereik was, en het noch in zijne magt had, noch in de gelegenheid was, om ooit van zijne goedheid misbruik te kunnen maken.
Haar openhartig gedrag had dezen waardigen man zoodanig voor Jenni ingenomen, dat hij gemakkelijk alles geloofde, wat zij hem vertelde; want daar zij zich niet verwaardigd had zich door eene onwaarheid te verontschuldigen, en het gewaagd had zich zijn grooter ongenoegen op den hals te halen liever dan hare eer of belofte te schenden door iemand anders te verraden, koesterde hij weinig vrees, dat zij zich aan onopregtheid tegenover hem schuldig zou maken.
Hij zond haar dus weg, met de verzekering, dat hij haar spoedig brengen zou buiten het bereik van de schande, welke zij zich berokkend had, en besloot met eenige woorden, waarbij hij haar berouw aanbeval, zeggende: „Vergeet niet, kind, dat gij nog de genade moet zoeken van iemand, wiens gunsten van nog veel grooter belang zijn dan de mijne.”
HOOFDSTUK VIII.
EEN GESPREK TUSSCHEN DE DAMES BRIGITTA EN DEBORAH, DAT ONDERHOUDENDER MAAR MINDER LEERZAAM IS DAN HET VOORGAANDE.
Zoodra de heer Allworthy zich, gelijk men gezien heeft, met Jenni op zijne boekenkamer begeven had, hadden mejufvrouw Brigitta en de goede huishoudster post gevat bij de deur van die kamer, waar zij, door het sleutelgat, de leerzame lessen door den heer Allworthy gegeven, tegelijk met de antwoorden van Jenni, en in één woord, alles wat in het vorige hoofdstuk beschreven is, gretig opvingen.
Inderdaad was deze opening in de deur van haar broeders studeerkamer even bekend aan mejufvrouw Brigitta en werd even dikwijls door haar gebruikt als de beroemde spleet in den muur door Thisbe in den ouden tijd. En het diende ook tot velerlei goede einden. Want, door dergelijke middelen werd mejufvrouw Brigitta dikwijls met de wenschen van haar broeder bekend, zonder hem de moeite te geven ze aan haar mede te deelen. Het is echter waar dat, er tevens eenige ongemakken mede gepaard gingen, en dat zij soms reden had, even als Shakespeare’s Thisbe, uit te roepen: „O booze, booze muur!” Want, daar de heer Allworthy magistraat was, kwamen er soms zekere zaken voor, bij onderzoekingen b.v. omtrent natuurlijke kinderen, en dergelijke, die wel beleedigend klinken konden in de kuische ooren van maagden,—vooral als zij de veertig jaren nabij zijn, zooals het geval was met mejufvrouw Brigitta. Evenwel, had zij het voordeel dat zij bij die gelegenheid den blos die zich op haar wang verspreidde voor de oogen der mannen verbergen kon en: „de non apparentibus et non existentibus eadem est ratio,”—wat zeggen wil, „als men niet ziet dat eene vrouw bloost, dan bloost zij ook niet.”
De beide waardige vrouwen bewaarden een diep stilzwijgen zoolang het tooneel tusschen den heer Allworthy en het meisje duurde: maar zoodra het gedaan en die heer verwijderd was, kon jufvrouw Deborah niet nalaten uit te varen tegen de zachtzinnigheid van haren meester, en vooral tegen zijne zwakheid om toetegeven, dat de naam van den vader van het kind verzwegen zou blijven,—een geheim dat zij zwoer vóór zonsondergang van Jenni af te persen.
Bij deze woorden vertrok mejufvrouw Brigitta hare gelaatstrekken tot een glimlach,—iets, dat zeer ongewoon bij haar was. Niet, dat de lezer zich behoeft te verbeelden dat het een van die ligtzinnige lachjes was, die Homerus ons wil doen verstaan dat aan Venus eigen zijn, als hij haar de lach-minnende Godin noemt;—het was ook niet een van die glimlachen, welke Freule Seraphina uit hare loge in de komedie als zoovele pijlen afschiet, en om welke te evenaren Venus hare onsterfelijkheid zou willen geven. Neen! Dit was eerder een van die glimlachen welke men zich voorstellen kan in de kuiltjes van de wang van de verhevene Tisiphone, of eene harer zusters.
Met een dergelijken glimlach dan, en met eene stem, liefelijk als de avondkoelte van Boreas in de aangename Novembermaand, verweet mejufvrouw Brigitta zachtjes aan juffer Deborah hare nieuwsgierigheid,—eene ondeugd, naar het schijnt, waarmede deze maar al te zeer behebt was en waartegen de andere met veel bitterheid uitvoer, er bijvoegende:
„Dat, in weerwil van al hare gebreken, zij den Hemel dankte, dat hare vijanden haar niet beschuldigen konden van eene ongepaste nieuwsgierigheid omtrent dingen, die haar niet aangingen.”
Zij ging nu voort met Jenni’s eergevoel en moed te roemen; zij zeide, dat zij niet nalaten kon het eens te zijn met haren broeder, dat er eenige verdienste was in hare openhartige bekentenis, en in hare getrouwheid aan haar minnaar; dat zij haar altijd voor een heel goed meisje gehouden had, en er niet aan twijfelde dat zij door den een of anderen schelm verleid was, die oneindig meer te berispen was dan zij, en zeer waarschijnlijk haar gefopt had door een huwelijksbelofte, of eenig verraad van dien aard.
Jufvrouw Deborah stond zeer verbaasd over deze houding van mejufvrouw Brigitta, want, als voorzigtige vrouw, liet zij zich zelden een woord ontvallen tot haar meester of zijne zuster, eer zij hun gevoelen gepolst had, waarmede hare denkwijze altijd naauwkeurig overeenstemde. Nu echter, had zij zich verbeeld heel veilig te kunnen lostrekken, en de verstandige lezer zal haar welligt niet van gebrek aan slimheid beschuldigen, als zij dat deed, maar eerder de verbazende vlugheid bewonderen, waarmede zij over stag ging, zoodra zij inzag, dat zij een verkeerden koers genomen had.
„Wel, jufvrouw,” zei deze knappe vrouw en waarlijk groote diplomate, „ik moet bekennen dat ik, even als gij zelve, toestemmen moet, dat het meisje zich heel goed gehouden heeft. En, gelijk door u opgemerkt is, als zij door den een of anderen snoodaard misleid is, verdient zij medelijden. En het is ook waar, zoo als gij zelve zegt, dat het meisje altijd een goed, eerlijk, eenvoudig schepsel scheen, dat niet ijdel was op haar gezigt, zoo als sommige ligtzinnige meiden in de buurt,—waarlijk!” „Dat is waar, Deborah,” hernam mejufvrouw Brigitta; „als het meisje eene van die ijdele feeksen was, die zoo talrijk zijn in de gemeente hier, zou ik de langmoedigheid van mijn broeder afgekeurd hebben. Ik zag een dag of wat geleden, een paar pachters dochters met den blooten hals in de kerk! Ik werd er akelig van! Als de meisjes de jongens zoeken te lokken, is het geen wonder dat zij zelve er in loopen! Ik verfoei zulke wezens, en het zou veel beter voor haar zijn, als hare gelaatstrekken door de kinderpokken mismaakt waren;—maar, ik moet bekennen, dat ik nooit iets ligtzinnigs van dien aard bij Jenni opgemerkt heb;—de eene of andere listige schelm heeft haar verraden, of welligt geweld gebruikt, daarvan ben ik overtuigd en ik heb diep medelijden met haar!”
Juffer Deborah keurde deze gevoelens goed, en het gesprek eindigde met een hevigen en bitteren aanval op de schoonheid en met vele medelijdende verontschuldigingen voor alle eerlijke, leelijke meisjes, die door de booze listen der snoode mannen verleid worden.
HOOFDSTUK IX.
BEVATTENDE VERBAZENDE DINGEN.
Jenni ging naar huis zeer te vreden met de ontvangst van den heer Allworthy, wiens goedheid zij zich beijverde algemeen bekend te maken; deels misschien om haren eigen hoogmoed te voldoen, deels met het meer voorzigtige oogmerk om hare buren met haar te verzoenen, of om aan hunne praatjes een einde te maken.
Maar hoewel dit laatste denkbeeld,—als zij het koesterde,—redelijk genoeg moge schijnen, beantwoordde de uitkomst niet aan hare verwachtingen;—want toen zij voor den magistraat geroepen werd, en men algemeen veronderstelde dat zij naar het verbeterhuis zou gezonden worden, riepen wel sommige der jonge vrouwen uit, „dat zij daarmede haar verdiend loon zou krijgen,” en zich met het denkbeeld vermaakten van haar te zien spinnen in een zijden kleedje, maar er waren toch vele anderen, die begonnen medelijden met haar te hebben; zoodra echter het bekend werd hoe de heer Allworthy zich gehouden had, brak de storm tegen haar los.
De eene zeide: „Nu, ik verzeker u, dat de juffer er goed afgekomen is!” Eene tweede riep: „Dat heeft men er van als men een wit voetje bij de menschen heeft!” Een derde: „Dat komt van de geleerdheid!” Iedereen had bij die gelegenheid iets kwaadaardigs te zeggen, en iets aan te merken op de partijdigheid der wet.
Het gedrag van deze menschen zal welligt den lezer onstaatkundig en ondankbaar toeschijnen, als hij de magt en de goedheid van den heer Allworthy bedenkt; maar, wat zijne magt betreft, hij maakte er nooit eenig misbruik van, en wat aangaat zijne goedheid, die werd zoo algemeen toegepast, dat hij al zijne buren daardoor geërgerd had; want het is een geheim, den grooten welbekend,—dat men door eene dienst te doen niet altijd een vriend verkrijgt, maar zeker zich vele vijanden schept.
Jenni werd echter door de zorg van den heer Allworthy spoedig buiten het bereik van alle verwijting gebragt, en toen de kwaadaardigheid niet meer in staat was hare woede op haar uit te storten, begon zij een ander voorwerp tot kwelling te zoeken, en dit was niemand anders dan de heer Allworthy zelf; want men fluisterde elkander weldra in het oor, dat hij de vader was van den vondeling.
Deze veronderstelling verklaarde, volgens de algemeene meening, zoo volmaakt zijne houding, dat die ook de algemeene toestemming verkreeg, en het geschreeuw over zijne zachtaardigheid begon weldra eene andere rigting te nemen en veranderde in smaadredenen over zijne wreedheid ten opzigte van het arme meisje. Zeer driftige en deugdzame vrouwen voeren hevig uit tegen mannen, die onechte kinderen hadden, welke zij verloochenden.
Het ontbrak ook niet aan menschen, die na het vertrek van Jenni, fluisterden dat men haar „weggemoffeld” had, met een voornemen dat te schandelijk was om vermeld te worden, en die herhaaldelijk wenken gaven, dat men een regterlijk onderzoek instellen moest, en dat zekere menschen gedwongen moesten worden het meisje weêr levend te laten zien.
Deze laster zou waarschijnlijk treurige gevolgen hebben gehad (of zou ten minste eenigzins lastig geweest zijn), voor iemand die een vreesachtiger of ergdenkender karakter had dan dat waarmede de heer Allworthy gezegend was; maar, in zijn geval, bleef die zonder gevolgen, en daar hij al dat gepraat diep verachtte, diende het alleen om een onschuldig genot te verschaffen aan de booze tongen in de buurt.